De dochter houdt een oogje in het zeil en ziet dat de dochter van farao het drijvende mandje vindt.

Omdat de moeder niet de hele tijd kon toezien op het tussen het riet dobberende mandje, stuurde ze haar dochter1 regelmatig op de uitkijk. Ze hield zich, zoals haar moeder het haar voordeed, schuil op een kleine afstand zodat ze kon horen of haar kleine broer rustig was of niet. Exodus 2,4-5: 4 Op enige afstand stelde de zuster van het kind zich verdekt op, om te zien wat er zou gebeuren. 5 Nu begaf de dochter van Farao zich naar de Nijl om te baden, terwijl haar dienaressen op en neer bleven lopen langs de oever van de rivier. Ineens zag zij het mandje tussen het riet en stuurde haar slavin om het te halen. Die rustige plaats bij de Nijl was een uitgelezen plek die ook door een van de dochters van farao uitverkoren was om ongestoord te baden. Er waren wel voorzieningen in het paleis om de persoonlijke hygiëne te verzorgen maar het baden in de Nijl gaf ook andere voordelen. De Egyptische vrouwen genoten een relatief grote vrijheid en bepaalden zelf wat ze deden. In het paleis van farao was dat niet anders. De dochter van farao verkoos niet te baden in de voorzieningen van het paleis maar ver van alle huizen en landbouwactiviteiten, midden in de rust van de natuur en niet heel ver van de rustige oevers van de grote rivier waar minder stroming was. Of de moeder van het mooie kind weet had van de plaats waar de dochter van farao baadde, weten we niet. En

De zus van Mozes

of ze daarom deze plaats gekozen had omdat haar zoon zou gevonden worden is ons ook een raadsel. Maar het valt erg te betwijfelen dat ze haar zoon zomaar in het bereik van om het even welke Egyptenaar zou gezet hebben. Elke onderdaan van het land had immers de opdracht gekregen de zoontjes van de Hebreeërs in de rivier te werpen om ze te doden of te offeren aan de Nijlgoden.
De diensters van de dochter van farao wandelden op en neer langs de oever van de Nijl om toe te zien dat hun meesteres rustig zou kunnen baden. Het water van de Nijl, dat de Egyptenaren als godheid vereerden, was voor de dochter van farao een bron van leven. Haar baden was wellicht een religieuze ritte, die met vruchtbaarheid had te maken. Tijdens dat rituele baden bleven haar dienaressen ook in haar nabijheid zodat ze klaar waren om haar te dienen op haar wenken. De dochter van farao zag opeens het mandje tussen het riet toen ze dieper, “yarad”, weg van de oever, in de rivier aan het waden was. De zuster van de Hebreeuwse jongen had dit gezien en was benieuwd wat er nu met haar broer zou gebeuren. Zou de dochter van farao even hardvochtig zijn als haar vader en het Hebreeuwse jongetje in het water laten gooien door haar dienaressen? Ze had immers een van haar slavinnen de opdracht gegeven het mandje uit het riet te halen. De zuster kon nu maar hopen dat alles goed zou aflopen met haar broer want nu was het al te laat om het mandje weg te halen en lag het lot van haar broer volledig in de handen van de dochter van farao. Tot nu is in dit verhaal geen enkele naam genoemd. Noch de naam van de zuster van het kind, noch de naam van de dochter van farao wordt ons prijsgegeven in deze verzen.

1 Exodus 15,20-21.

Advertenties

Een wiegje schommelt tussen het riet van de rivier.

De pasgeboren zoon werd door de moeder heel stil gehouden en ver van alle vijandig gedoe in Egypte. Dat lukte haar drie maanden lang. Exodus 2,3: 3 Maar toen zij geen kans meer zag hem nog langer verborgen te houden, nam zij een mandje van riet, streek het dicht met asfalt en pek en legde het kind erin. Toen zette zij het tussen het riet aan de oever van de Nijl.  De schrijver gebruikt “tebah” hetzelfde woord als voor de ark van Noach wordt nu gebruikt voor het mandje dat de moeder van de zoon van hoop gebruikt. Het mandje is gemaakt van een “waterzuigende plant”, “gome” in het Hebreeuws afgeleid van “gama” dat opslorpen of opzuigen betekent.

Mandje van Mozes

Het mandje is mogelijkerwijs gevlochten het papyrusriet dat groeit aan de oevers van de Nijl en overvloedig geniet van het water van de rivier. Net als bij de ark wordt ook dit vaartuigje ingesmeerd met pek maar ook met vloeibaar asfalt1. Strikt gezien beantwoordt de moeder van de pas geboren Hebreeër aan het bevel van farao en vertrouwt ze haar zoon toe aan de Nijl maar dan wel in een miniatuurark om zijn leven te redden. Dit doet denken aan de ark van Noach die het leven redde van de rechtvaardige Noach bij de zondvloed die alle reuzen moest wegspoelen van de aarde. De moeder plaats het schuitje op de lip, dit wil ook zeggen aan de rand, “saphah”2 in het Hebreeuws, van de rivier en tussen het riet maar niet in de volle stroom zodat het niet meedreef met de stroming van het water. Toen haar zoontje niet meer stil te houden was in huis en er gevaar was dat de zuigeling ontdekt zou worden door een van de Egyptische onderdanen werd hij in een bootje tussen het riet van de Nijl gelegd. Deze plek was veiliger omdat niemand zou gaan zoeken op een plaats waar de jongetjes moesten gedumpt worden om precies daar een zoontje van Israël te vinden. De kindergeluidjes van de jongen werden overstemd door het de stroming van “de rivier” zoals deze genoemd wordt in deze passage in het Hebreeuws. Bij de oevers heel dicht bij de Nijl waren geen landbouwbedrijven en ook geen huizen omdat de rivier aanzwol als er veel regen gevallen was in het zuiden. Deze zone was niet bewoond en daardoor was het er ook niet druk. Omdat dit bootje niet wegdreef kon de moeder haar zoontje ongemerkt in leven houden en hem regelmatig komen bezoeken en hem borstvoeding geven. Het lichte kabbelende water aan de randen van de rivier zorgden ervoor dat het bootje lichtjes schommelde en dat de baby ook rustiger bleef tenzij hij honger kreeg. Dan was de moeder, die het ritme van zijn voedingen kende, al dicht in de omgeving en hoorde zij met haar geoefende moederoren wat er precies gaande was. Honger werd met een ander geluid duidelijk gemaakt door de kleine dan een te verversen luier. Toen de avond aanbrak werd de mooie jongen, die in een bootje ontsnapte aan een dreigende dood op bevel van farao, beter ingedekt. Het deksel van het drijvende mandje werd weer goed dicht gemaakt zodat haar zoon ook ’s nachts beschermd bleef. Zijn bezorgde en vindingrijke moeder gaf hem dezelfde zorgen alsof haar zoontje thuis was want ze volgde de zegen van de Ene waarin de Hebreeuwse moeders een grote verantwoordelijkheid droegen voor het nageslacht gedurende de eerste levensjaren van hun kinderen. In die bange dagen van het volk van Israël woog hun verantwoordelijkheid nog meer door.

1 Genesis 14,10 (kleverige bitumen).
2 Genesis 22,17.

De geboorte van een zoontje onder de druk van een dreigende kindermoord.

De nieuwe farao heeft helemaal geen respect voor de Hebreeërs. Hij behandelt hen als vijandige slaven waar het volk van Israël zich in ruil voor bescherming en veiligheid steeds dienstbaar had opgesteld. Door angst op te wekken heeft hij zijn eigen volk opgezet tegen het volk van Israël dat steeds groter werd. Na het opdrijven van het werkritme en na de oproep aan de vroedvrouwen om alle jongetjes weg te nemen en te doden bij de geboorte, heeft farao niet het gewenste resultaat bereikt. Het volk Israël werd alsmaar groter. Daarom had hij een algemene afkondiging gestuurd aan alle onderdanen van zijn rijk om de jongetjes van de Hebreeërs in de Nijl te gooien. Nu stond het voortbestaan van het volk van Israël op het spel. Er moest iets gebeuren om dat uitverkoren volk van de Ene te redden uit de tirannie van Egypte. Exodus 2,1-2: 1 Een man uit de stam Levi nam een meisje uit die stam tot vrouw. 2 De vrouw werd zwanger en bracht een zoon ter wereld. Toen zij zag hoe mooi het kind was, hield zij het drie maanden lang verborgen. Blijkbaar gaat het leven in de stammen van Israël gewoon verder. Er

hoogzwanger in moeilijke tijden

wordt gehuwd onder stamgenoten en er komen kinderen. Nu wordt de aandacht in het verhaal gericht naar een gezin waar een zoon geboren wordt. Er was eens een man zonder naam die een meisje zonder naam1 tot vrouw nam. Ze waren beiden van de stam Levi, een van de stammen van Israël waarover Jakob gezegd had dat de stam zou verspreid worden over het grondgebied Israël omwille van de slachting in Sichem. Deze stam zou later de priesters leveren aan het volk van de Ene.
De vrouw werd zwanger en bracht een zoon ook zonder naam op de wereld. Veel eenvoudiger kan dit nieuwe verhaal niet beginnen ware het niet dat we weten dat elke zoon van Israël die nu in Egypte geboren werd, ten prooi kon vallen aan het nieuwe bevel van de koning en in de Nijl zou geworpen worden als hij gevonden werd door een Egyptenaar. Zoals elke moeder zag ze dat het een mooi kind was. In het Hebreeuws staat er dat het een “towb”, tof, kind was en dat is goed in alle betekenissen. Zo een zoon wil een moeder zeker niet verliezen aan de wreedaardige maatregelen van farao ook als ze daardoor gevaar dreigt te lopen. Daarom houdt ze de jongen drie maanden lang verborgen. De duidelijke vermelding dat het een goed kind, het niet vermelden van de namen en de drukkende omstandigheden waarin de zoon van Israël geboren werd, laat ons al vermoeden dat er hier meer aan de hand is. De gezegende vruchtbaarheid van de Hebreeërs is iets van de Ene en wellicht is dit een belangrijke geboorte die hoop geeft in de eerste plaats aan de naamloze ouders maar ook aan het volk van Israël dat nu onder geweldige druk staat en dreigt vernietigd te worden. De hoop van Israël om een groot volk te worden wordt niet gesmoord door de onderdrukking en de ouders zijn nog steeds blij dat er een mooie zoon geboren wordt. De schoonheid drukt al vaker een bovennatuurlijke beoordeling uit net zoals bij Sifra en Pua2 en staat in tegenstelling met de wreedheid van farao, de zoon van de god Ra.

1 De namen van de twee lezen we later in Exodus 6,20 en Numeri 26,59.
2 De naam Sifra betekent schoonheid en is afgeleid van “shaphar”, schijnen. De naam Pua betekent glansrijk.

Moord op bevel van de koning van Egypte op alle jongetjes van Israël.

Conflicten in die tijden worden vaker als een strijd tussen de goden van de volken afgespiegeld. De Ene steunt zijn volk en de vroedvrouwen Sifra en Pua omdat ze ontzag hebben voor de Ene en voor het leven van de mensen hoe klein ze ook zijn. Farao staat daar tegenover en vertegenwoordigt de oppergod van Egypte, Ra. Exodus 1,20-22: 20 God zegende de vroedvrouwen; en het volk bleef zich maar uitbreiden en werd zeer talrijk. 21 Omdat de vroedvrouwen God vreesden, schonk Hij hun een nageslacht. 22 Toen gelastte Farao aan al zijn onderdanen: `Iedere jongen die geboren wordt moet ge in de Nijl gooien; de meisjes kunt ge in leven laten.’ De moedige opstelling van de vroedvrouwen maakt hen tot heldinnen die durfden op te staan tegen de wereldmacht, die verblind door rijkdom, denkt dat alles en iedereen in bezit kan genomen. Daartegen reageert de Elohim van het volk Israël. De term Elohim voor de Ene leert ons dat ook de god van Israël gezien wordt in het samenspel van de goden. Elke natie die enige betekenis had, had ook zijn eigen god. De god van Israël zegende de vroedvrouwen en het volk op een bijzondere manier. Israël werd nog meer in getal. Immers omdat de vroedvrouwen ontzag hadden voor de Ene schonk hij heel het volk nageslacht. In de Hebreeuwse tekst is er sprake van het meervoud van “bayith” en dat zijn huizen in de zin van families. Dit verwijst niet zozeer naar het nageslacht van de twee of zelfs van alle Hebreeuwse vroedvrouwen maar naar nieuwgeboren kinderen van de verschillende stammen van Israël die samengesteld waren uit families. De uitbreiding is een zegen van de Ene voor heel het volk en is geen beloning voor Sifra, Pua of hun collega’s. Beide Vroedvrouwen werden wel in hun verheven taak, die rijmde met de belofte en de opdracht tot een groot volk, beschermd door de Ene, die een schild was voor hen tegen de sancties van farao. In die optiek is ook de smoes te zien die de

Jongetjes moeten in de stroom geworpen

vroedvrouwen wijsmaken aan farao. Zij kunnen ze actief blijven in de Hebreeuwse gemeenschap. De uitbreiding van het door de Ene gezegende volk is door het vermelden van “huizen” voorgesteld als veelvoudig.
Daarom kon ook de reactie van de zoon van de zonnegod niet uitblijven. Hij geeft een nieuw bevel tot uitroeiing van de Hebreeërs dat in tegenstelling staat tot zijn verlangen hen als slavenvolk te gebruiken. De derde maatregel om de groei van het volk van Israël stop te zetten is een algemeen bevel aan alle Egyptenaren om de pasgeboren zoontjes van Israël in de Nijl te werpen. De buitengewone wreedheid van deze maatregel is geen uitzondering in de oudheid en is daarom niet onwaarschijnlijk. Op de eerste plaats kennen we de minachting van de Egyptenaren2 voor vreemden. Deze afkeer werd dan nog versterkt door de angstgedachten die verspreid werden door het hof. Uit een vals besef voor zelfbehoud en bescherming van hun eigen land en hun superioriteit, is het gewone volk van Egypte opgehitst en zijn alle Hebreeuwse jongetjes ten prooi aan hun moorddadigheid uit vermeend eigenbelang. De oproep tot kindermoord op ongewenste kinderen kan ook voorgesteld worden als een religieus offer aan de goden van Egypte. Dit soort kindermoorden bestond ook als offer aan de god Moloch in Kanaän en werd ook toegepast in andere culturen. In opdracht van farao klinkt het in het Hebreeuws dat alle jongens die geboren worden in de rivier zonder naam moeten geworpen worden. Hij bedoelt dat de zonen van Israël in de Nijl moeten gegooid worden. Hier zouden de zonen van de Hebreeërs maar niet hun dochters dan geofferd worden aan de god van de Nijl, Hapy, of aan een van de ondergeschikte goden van de Nijl, de god krokodil, Sebek. Van de kinderoffers werd bij de Hebreeërs al duidelijk afstand genomen na het vervangoffer dat Abraham bracht voor de binding van zijn zoon Isaak3.
 
1 Leviticus 18,21 en 20,2.
2 Genesis 43,32; Genesis 46,34.
3 Genesis 22,1-18.

Sifra en Pua zijn burgerlijk ongehoorzaam.

Kinderrijkdom bij de Hebreeërs

De angst voor de Hebreeërs werd zo hard opgefokt door de leiding van het land dat farao dacht dat alle maatregelen om hun aantal in toom te houden probleemloos te verantwoorden waren. Ook in dit verhaal wordt het doorvoeren van elke onmenselijke maatregel, tegen de groep waartegen de angst aangewakkerd werd, een “wijze beslissing” genoemd. Zo hadden de Hebreeuwse vroedvrouwen het bevel gekregen alle pasgeboren zonen van alle stammen van Israël te doden bij de geboorte. Tijdens hun hulp bij de geboorte hadden zij immers de pasgeborenen het eerst in handen en waren ze de eersten die het geslacht van de kindjes konden vaststellen. Exodus 1,17-19: 17 Maar de vroedvrouwen vreesden God en gaven geen gehoor aan het bevel van de koning; ze lieten de jongens in leven. 18 Toen liet de koning van Egypte de vroedvrouwen bij zich komen en ondervroeg hen: `Wat moet dat, waarom laten jullie die jongens in leven?’ 19 De vroedvrouwen gaven Farao ten antwoord: `De Hebreeuwse vrouwen zijn nu eenmaal niet zoals de Egyptische: ze baren zo vlug dat ze hun kind ter wereld brengen nog voordat de vroedvrouw er bij is.’ Het ontzag1 van de vrouwen voor de Ene was veel groter dan dat voor farao. Ze voelden aan dat de Ene, de god van het leven, zelfs op bevel van de overheid het doden van medeburgers niet zou toelaten. Zij kenden de Ene als een god die steeds nieuwe kansen geeft aan mensen in moeilijke omstandigheden. Dit bevel van farao zet hen aan het denken over het systeem en ze beslisten als onderdanen van “Mitsrayim” om burgerlijk ongehoorzaam te zijn. Daarom zijn de namen van deze vrouwen zo belangrijk voor Israël. Zij zijn de eersten die in opstand komen tegen het onmenselijk machtsregime van farao. Sifra en Pua, met ontzag voor de Ene, nemen het op tegen een wereldmacht. Zij maken de keuze voor Elohiem en niet voor de zoon van de god Ra. Dit is het verschil voor hen van de keuze tussen leven en dood.
Farao merkt aan de verdere groei van het stam van Israël dat de vroedvrouwen zijn bevel niet opvolgden. Ze worden ter verantwoording geroepen.
Uit vrees voor de farao verzinnen ze een uitleg om het gewone aantal jongetjes bij de geboorte te verklaren. Ze kunnen moeilijk aan de zoon van de god Ra zeggen dat ze ontzag hebben voor een ander god en daarom zeggen ze hem dat de Hebreeuwse vrouwen meestal zo snel bevallen dat ze niet op tijd zijn om hen bij te staan bij de geboorte. Daarbij maken ze een vergelijking met de vrouwen van Egypte die altijd een vroedvrouw nodig hebben omdat zij minder kinderen hebben omwille hun vruchtbaarheid die minder groot is dan deze van de Hebreeuwse vrouwen. De Hebreeuwse vrouwen zijn levendig, “chayeh”, staat er in de tekst. Dit is afgeleid van “chayah”, leven geven, opvoeden en het beloofde leven zeker geven. De bijklank van deze uitdrukking verwijst ongetwijfeld naar de belofte van de Ene aan Abraham van een groot volk. We hebben ook al geleerd in de vorige passages2 dat de vruchtbaarheid van de vrouwen, het openen of sluiten van hun schoot ook een goddelijke aangelegenheid is. Daarom mogen we de uitspraak over de voortreffelijke meerwaarde van de Hebreeuwse vrouwen als moeders niet bestempelen als een polarisatie maar een tegenzet tegen de zoon van Ra.

1 Genesis 9,6.
2 Genesis 20,18; Genesis 29,31; Genesis 30,22;  Genesis 49,25.