Religieus en moreel anders denken.

De Hebreeuwse term in Exodus 8,23 voor het onderscheid dat de Ene maakte tussen Egypte en Israël wordt in Psalm 111,9 vertaald door bevrijding. De vrijstelling van deze vierde plaag van Egypte is als een eerste teken van bevrijding. Maar na de onderhandelde belofte van farao gaat Mozes, zoals beloofd, Jahweh bidden om voor Egypte de plaag van de zwermen weg te nemen. Exodus 8,26-28: 26 Mozes ging van Farao heen en bad voor hem tot Jahwe. 27 En Jahwe deed wat Mozes vroeg: de steekvliegen weken van Farao, van zijn hovelingen en van zijn volk. Niet een bleef er over. 28 Maar ook deze keer werd Farao weer onwillig. Hij liet het volk niet gaan. Het gebed dat Mozes aan farao beloofde had een uitermate snel en volledig resultaat.

De Ene was de Schepper

De kordate arm van de Ene nam de plaag van de kaalvreter1 weg door wie de oogst van het land van Egypte verdween. Om de absolute macht over de schepping van de Ene te omschrijven vertelt de schrijver ons dat niet één mestkever overbleef. Deze absolute bewoording hoorden we niet bij de verschijnselen van de andere plagen. De Nijl zag er na verloop van tijd weer normaal uit. De kikkers trokken terug naar de Nijl behalve de dode exemplaren en van de muggenplaag weten we zelfs niet eens of deze verdween. Bij deze zwermenplaag is het Jahweh die ze stuurt en Jahweh die ze wegneemt. Geen verdere verklaring of omschrijving lijkt afdoende voor deze plotse opkomst en de verdwijning van de scarabeeën. Tenzij dit een teken is voor Israël dat Jahweh bij machte is hen te vrijwaren en Egypte te straffen.
Of het scabreuze beleid van de vereerders van de scarabeeën nu nog overeind kan blijven is een open vraag. Van deze woordspeling is het maar een kleine stap het vermoeden te uiten dat deze plaag zijn oorzaak vindt bij het hof van farao, die de oogstbelasting verhoogt om zijn bouwwerken en zijn leger te bekostigen. Egypte wordt na de ellende met de Nijl en met de wat de Nijl te maken heeft nu getroffen door dreigende tekorten aan granen. De god Sjoe van het luchtruim en de alom aanbeden scarabee noch de god van de magie, Heka, waren in staat Egypte te redden.
Maar farao bleef, ook deze keer toen zijn probleem van de baan was, onwillig. Alles blijft bij het oude en het volk van Israël kan niet gaan offeren voor Jahweh buiten de grenzen van Egypte. De voorspelde2 halsstarrigheid houdt aan en is voor de Ene de verwachtte houding van een machthebber, die kortzichtig is.
De onveilige situatie, die er ontstond omwille van het ritueel slachten waarbij veel bloed vloeide van de offerdieren, verhindert de Israëlieten om offers te brengen voor Jahweh binnen de grenzen van de Egypte. Het is een gruwel voor Egypte dat er andere slachtgewoonten op nahoudt. Het is voor de Israëlieten een gruwel dat ze niet kunnen offeren voor Jahweh. Het is precies ook dat samen offeren en eten dat het volk zich als een gemeenschap laat voelen. Dit nieuw gevoel van samenhorigheid dat opgewekt werd door de prediking van Mozes en Aäron wordt opnieuw tegengewerkt door het bestuur van het land waar ze aanvankelijk als gast en dienaars verbleven maar waarin ze nu slaven zijn geworden. Het religieus en moreel anders denken maakt in kortzichtige staten samenleven onmogelijk.

1 Psalm 78,45.
2 Exodus 4,21.

Advertenties

Israël mag offeren in de woestijn van farao.

Hoewel Aäron de man was die het woord meestal voerde bij farao, neemt Mozes nu het voortouw. Hij weet farao te overtuigen het volk van Israël te laten offeren drie dagreizen ver in de woestijn. Dit alles om de volkswoede van de Egyptenaren te ontlopen bij het slachten van dieren die voor hen heilig waren. Exodus 8,24-25: 24 Toen sprak Farao: `Dan laat ik u gaan om in de woestijn offers op te dragen aan Jahwe uw God; als u maar niet te ver wegtrekt. En u moet wel voor mij bidden.’ 25 Mozes antwoordde: `Zodra ik van u weggegaan ben zal ik voor u bidden tot Jahwe. Morgen zullen de steekvliegen wijken van Farao, van zijn hovelingen en van zijn volk. Maar dan moet Farao geen bedrog meer plegen door het volk toch weer niet te laten gaan om offers te brengen aan Jahwe.’ Het is in de eerste plaats al verwonderlijk dat farao die zijn macht stoelt op de religieuze beelden die gangbaar

Ga maar offeren in de woestijn

zijn in Egypte, toe laat dat deze symbolen geofferd worden aan Jahweh. Farao weigert ook de verplaatsing van drie dagen ver niet en vraagt alleen dat ze niet te ver zouden gaan om te offeren zodat het volk van Israël binnen het bereik van de Egyptische leger zouden blijven. Farao wil de Israëlieten niet kwijt als slavenvolk en geeft daarom toe dat ze de wildernis in de woestijn intrekken onder die voorwaarde. Dus stelt hij het compromis voor, dat zij de wildernis aan zijn oostelijke grens gewoon zullen ingaan, zodat ze bij de grens blijven en daardoor binnen zijn bereik zijn. Dat dit drie dagreizen ver is van Gosen, ligt niet te discussie. Eigenlijk erkent farao met de toelating te offeren de mogelijkheid dat zijn slaven een andere godsdienst dan de staatsgodsdienst beleven binnen bepaalde voorwaarden. Dit is een verregaande toegeving voor een regime dat verankerd zit aan een bepaald religieus denkpatroon en daar ook zijn macht uit put.
Farao wil natuurlijk dat de zeer vervelend plaag van de zwermen bij hem en zijn volk ophoudt.
Mozes stemt toe te bidden tot de Ene om te voldoen aan de vraag van farao. Mozes lijkt ook geen bezwaar te hebben gemaakt tegen de voorwaarde binnen het bereik van Egypte te blijven. Mozes belooft zodra hij het paleis heeft verlaten te bidden tot Jahweh voor het wegnemen van de zwermenplaag die farao en de Egyptenaren treft in hun huizen. Net als bij de muggenplaag zou de plaag de dag nadien farao en de Egyptenaren verdwijnen1. Deze keer waarschuwt Mozes echter farao voor bedrog zoals na het oplossen van de muggen plaag. Mozes had door het niet nakomen van de beloften van farao een slechte ervaring2 met de beloften die hem door farao onder druk werden gedaan. Mozes spaart farao niet en berispt de koning van Egypte.

1 Exodus 8,
2 Exodus 8,15.

Mozes wil meer toegeeflijkheid van farao.

Mozes die samen met Aäron ontboden was op het paleis bij farao om de vierde plaag van de massale zwermen weg te nemen door een smeekbede aan Jahweh, kreeg de instemming van farao om het volk te laten offeren voor Jahweh. Dit is tenminste al een erkenning van Jahweh door farao. Toch gaat Mozes nu verder onderhandelen terwijl hij in een sterke positie staat. Exodus 8,22-23: 22 Maar Mozes antwoordde: `Dat zou onmogelijk zijn. De offers die wij aan Jahwe onze God opdragen zijn voor de Egyptenaren een gruwel. Als wij onder de ogen van de Egyptenaren offers brengen die voor hen een gruwel zijn, zullen zij ons zeker stenigen. 23 Dan kunnen wij toch beter drie dagreizen de woestijn in gaan en daar aan Jahwe onze God de offers brengen die Hij van ons vraagt!’ Omdat Mozes trouw wil blijven aan wat Jahweh hem als opdracht gaf, kan hij het voorstel van farao zoals het er nu

Het dierenoffer van Israël

voorligt niet aanvaarden. Offeren binnen de grenzen van Egypte is onmogelijk. Mozes kruipt daarom in de huid van de Egyptenaren om de eis van Jahweh van drie dagen ver te trekken1 aanvaardbaar te maken vanuit hun standpunt.
We weten al dat de culturele verschillen tussen de Egyptenaren en de Hebreeuwen voor problemen zorgden bij de Egyptenaren en dat werd aangehaald als beweegreden om het volk van Jakob te huisvesten in het afgelegen gebied van Gosen2. Zo ondervond Egypte geen hinder van de gebruiken van dit herdersvolk. We merkten ook dat er een verschil was in eetgewoonten toen Jozef zijn broers had uitgenodigd om de maaltijd te genieten in zijn paleis3. Deze feestmaaltijden vergezelden ook de offers die gebracht werden aan de Ene. Bij het offeren hoort ook het ritueel en bloederig slachten van dieren en bij de Israëlieten werden ook wel eens runderen geslacht. In Egypte waren sommige runderen heilige dieren. Apis, de stierengod, was zo’n heilig dier dat zelfs vereenzelvigd werd met Osiris. Hesat was de koeiengodin en Noet de hemelkoe. De godin Hathor werd ook afgebeeld in de vorm van een koe, die de moeder van farao symboliseerde als voedster van haar zoon. Voor het volk van Israël waren dit allemaal offerdieren, die zonder meer konden geslacht worden voor de belangrijke offers. Deze offers hebben ze achterwege moeten laten zolang ze op Egyptisch grondgebied woonden om geen volksopstand te veroorzaken. De Egyptenaren zouden het recht in eigen handen nemen en de respectloze belagers van de symbolen van hun goden stenigen. Dit is de eerste keer dat we in de Bijbel lezen over het stenigen als uitloper van de haat van het publiek, dat geraakt is in zijn religieus en cultureel aanvoelen. We lezen dat het inderdaad een gruwel, “toebah” in het Hebreeuws, is voor Egypte. Wat ook betekent dat iets moreel en religieus af te keuren is. Een heiligschennis, een onreine behandeling van het vlees. Mozes heeft met deze uitleg een goede reden om aan de Egyptische koning te vragen toch maar drie dagreizen ver in de woestijn te gaan om buiten de grenzen van het land te offeren. Zo kan geofferd worden zoals Jahweh het wil en wat de offerdieren zijn, is nu nog niet onmiddellijk duidelijk, en zal maar bepaald worden eens we ter plaatse zijn.

1 Exodus 3,18.
2 Genesis 46,34.
3 Genesis 43,32

Farao geeft een beetje toe.

Jahweh zegt Mozes dat het teken van de scarabeeën niet lang op zich zal laten wachten. Morgen zal Egypte ermee geplaagd worden en zullen de Israëlieten, die in Gosen wonen daar niets van merken. Exodus 8,20-21: 20 Zo deed Jahwe ook. Zwermen steekvliegen drongen het paleis van Farao binnen, de huizen van zijn hovelingen en heel Egypte. Het land was van de vliegen vergeven. 21 Toen ontbood Farao Mozes en Aäron en sprak: `Ga dan maar offers opdragen aan uw God; maar doe het hier in het land.’ Geen staf nodig van Mozes of

Egypte alleen getroffen

geen ingreep van Aäron. De Ene treedt zelf in actie nadat Mozes in de vroege morgen naar farao toe ging om nog eens toelating te vragen om het volk te offeren voor Jahweh. De plaag van de zwermen breidde zich de volgende dag al uit over alles wat Egyptisch was. Van het paleis tot de huizen van de hovelingen en in heel Egypte gingen ze gebukt onder de plaag. De plaag is zo ingrijpend dat farao niet lang wacht om Mozes en Aäron te ontbieden. Hij weet immers uit welke hoek die plaag komt. Zij hadden gedreigd met deze zwermen die een last zouden zijn voor alle Egyptenaren om de toelating af te dwingen om hun volk te laten offeren voor Jahweh. Deze keer werden de dieren niet lastig gevallen zoals het was bij de muggen maar alleen farao, de hovelingen en allen die farao vereerden als zoon van Ra gesymboliseerd door de mestbal van de scarabeekever. Deze keer was de overlast dusdanig dat heel het maatschappelijk leven in Egypte overhoop lag. Het land was zo zwaar aangetast dat farao snel moest ingrijpen om orde op zaken te stellen.
Onder die druk sloot farao een overeenkomst met Mozes en Aäron. Farao begint te begrijpen dat het volk van Israël ook recht heeft om zijn god, Jahweh, te offeren zoals de Egyptenaren, de Nijl met al haar heilige dieren en de scarabeeën vereren en offeren. Farao geeft dan ook de toelating aan de Israëlieten om te offeren maar ze moeten dat doen “in het land” waarmee farao uiteraard bedoelt binnen de grenzen van het Egypteland. Binnen het kader van het Egyptische religieus en politiek denken. Binnen een dwangregime dat gesteund is op een veelgodendom. Dit zal echter problemen opleveren omdat het onrecht van het Egyptische bestel niet te rijmen is met de weg die het nageslacht van Abraham gekozen heeft. De besnedenen van hart staan voor broederlijkheid, rechtvaardigheid en dienstbaarheid aan allen1. In een onmenselijk regime zoals dat van farao zijn deze waarden niet haalbaar en staat het eigen belang voorop zonder dat er ruimte kan komen voor het belang van iedereen. In een dergelijk systeem tussen de werven om onder druk massaal stenen te vormen en te stapelen gaat het om zelf te overleven. Daarom was de vraag al van de eerste keer om te kunnen offeren op drie dagreizen ver. Dit was de opdracht die Mozes kreeg van Jahweh. Daar wil farao echter niet aan tegemoetkomen want in drie dagen tijd verandert alles en komt er een ommekeer van godswege. Toch is hier al een tegemoetkoming van farao te merken bij deze vierde plaag die rechtstreeks door Jahweh richting het Egyptische bestel gestuurd werd.

1 Exodus 3,18.
2 Genesis 12,3.

De zwermenplaag niet gericht naar het volk van Israël.

De scarabee is een van de symbolen van Egypte die zeer vaak voorkomt. We vinden ze terug als amulet, als zegel of losstaand beeld maar ook in de piramiden. Als symbool van de wedergeboorte vinden we de mestkevers in allerlei uitvoeringen, maten1 en gedaanten in steen, glas op vele plaatsen in Egypte. Dit laat de belangrijkheid vermoeden van dit heilige dier dat nu zo hard uitzwermt dat het een plaag wordt. Exodus 8,18-19: 18 Maar voor het land van Gosen, waar mijn volk woont, zal Ik op die dag een uitzondering maken; daar zullen geen vliegen zijn. Zo zult gij weten dat Ik, Jahwe, in uw land aanwezig ben, 19 want Ik zal onderscheid maken tussen mijn volk en uw volk. Morgen zal dit teken zich voltrekken.’ Dat hier de naam van da insect niet aan bod komt en dat er in het Hebreeuws alleen over zwermen gesproken wordt, wijst op het weinige respect dat mag betoond worden aan dit sterke Egyptische symbool. In het eerste scheppingsverhaal was er ook al zo weinig

Geen naam voor de andere goden.
achting voor de grote goden van Babylonië, de zon en de maan. Ze werden lampen of lichten aan het hemelgewelf genoemd2. Dat het beeld van die scarabeeën overal te vinden was in de Egyptische huishouden van aan het paleis tot in de eenvoudige woning heeft gewoon te maken met de grote verering van dit beeld. Deze beelden mogen uiteraard niet te vinden zijn bij de Hebreeuwen want het is een plaag en het staat in tegenstelling tot de verering van de Ene Jahweh bij het volk van Israël.
Voor Egypte is het de zoveelste teken dat ze eens te meer getroffen worden door een van de meest verspreidde religieuze symbolen en dat is ook een sterk teken voor het volk van Israël. De goden van Egypte zorgen niet voor het welzijn van het Egyptische volk, ze zijn en plaag in het leven van koning en knecht.
De betekenis van “arob” is zwerm en er is daar geen omschrijving bijgegeven over welke zwerm het gaat. Het basis woord is afgeleid van het Hebreeuwse “arab” dat inmengen, bemoeien en bezetten betekent. Dit leert ons dat deze uitdrukking eigenlijk gebruikt wordt om de inmenging van de religieuze beelden uit te vergroten. Al die goden zijn de plaag die Egypte teistert en hen geen ademruimte geeft om na te denken. Welke dieren daarvoor symbool staan is niet het belangrijkste.
De beelden en amuletten van de scarabeeën waren niet meer verspreid in Gosen omdat Mozes en Aäron hun volk weer bij Jahweh hebben gebracht. De sterk verspreidde afgodenbeeldjes waren in onbruik geraakt bij de Israëlieten want het volk had opnieuw vertrouwen in Jahweh. Ze zagen al de eerste tekenen die alle in verband stonden met de Nijl. Eerst werd de Nijl als bloed, dan kwamen de kikkers uit de Nijl en toen zagen ze en de muggen, die uit de vochtige grond van de Nijl tevoorschijn kwamen. Hun hoop op de verlossing uit de slavernij steeg met de dag.
Deze keer wordt vermeld dat Gosen gespaard blijft. Gosen ligt niet bij de Nijl en zal dus niets gemerkt hebben van de plagen die verband hielden met de Nijl waarover heel Egypte zich beklaagde. De mestkevers waren echter ook aanwezig in Gosen maar ze bezorgden geen overlast zoals in de andere delen van Egypte. Daarom was deze vermelding hier noodzakelijk en tegelijk toont het dat Jahweh zijn volk behoedt voor de plagen. Jahweh beschermt zijn volk dat hem trouw is.

1 De monumentale scarabee aan het ‘Heilige Meer’ bij de tempel van Amon in Karnak.
2 Genesis 1,14-16.