Geef ons drie dagen.

Exodus 5,3: 3 Toen zeiden zij: `De God van de Hebreeën is tot ons gekomen. Laat ons drie dagreizen ver de woestijn ingaan om offers op te dragen aan Jahwe, onze God. Anders slaat Hij ons met de pest of het zwaard.’ Hebreeën is een Egyptische uitdrukking1 voor het volk van Israël. Mozes en Aäron gebruiken deze term omdat farao precies zou weten over welk van volk het gaat. De naam Hebreeuwen kan verwijzen naar Eber2, een verre voorvader van Abraham. Als de Egyptenaren deze naam gebruiken kan deze afgeleid van zijn Habiru. Dit woord heeft vele betekenissen omdat het in heel de Levant3 gebruikt werd. Telkens gaat het over de omschrijving van mensen van lagere sociale klasse want het basis woord apiru betekent vies en smerig4.

offeren voor Jahweh

Deze naam verwijst op dat moment bij de Egyptenaren naar de ingeweken slaven uit Kanaän.
Jahweh heeft Mozes opdracht gegeven5 aan farao te vragen drie dagreizen ver in de woestijn te gaan om offers te brengen aan Jahweh. Op drie dagen reizen kunnen de Israëlieten echter niet aan de berg van de Ene geraken. Het vermelden van drie dagen zal echter een andere reden hebben. Zoals we al meer ondervonden hebben in de Schriftteksten heeft de derde dag meestal een symboliek in zich. Het is de dag van de ommekeer van godswege. De dag van de grote verandering. De pelgrimstocht van drie dagen naar de ommekeer zal gekleurd worden met het opborrelend inzicht dat een verblijf als onderdrukte slaven in Egypte moordend is voor het besneden volk van Jahwe. Ziekte en dood, de pest en het zwaard, hangt hen boven het hoofd. Het is raar dat Jahweh, die het opneemt voor zijn volk en hen beschermt, hen zou slaan met de pest en het zwaard. Deze zinssnede van Mozes en Aäron heeft meer te maken met de gevolgen van een verder verblijf in Egypte. Ook de eerdere beelden van de melaatse hand en het bloedteken aan de Nijl liggen in dezelfde lijn. Het verbond zal aangetast worden en ten slotte sterven onder de invloed van de zoon van de god Ra en van de andere goden uit Egypte. Gedurende de eerste generaties leefden de zonen van Jakob afgezonderd in de streek van Gosen waar ze trouw aan het verbond leefden. Na die honderden jaren is het snel groeiende volk verder verspreid over Egypte en kwam het in contact met andere visies op het bovennatuurlijke en met andere rituele gewoonten. Na de overname van de plaatselijke gebruiken was hun hart minder besneden in de zin van het verbond en stilaan namen ze de visies, die de rituelen ter plaatse inspireerden, over. Mozes was er samen met Aäron in geslaagd om aan te tonen dat Jahweh, de Ene van het volk van Israël, oog heeft voor zijn volk en dat de invloed van Egypte niet levengevend was. Dit laatste hadden de zonen van Israël al ervaren. Maar een volledige ommekeer dringt zich op om het volk van Israël binnen het verbond te houden. Even in afzondering gaan zal het eenheidsgevoel en de waarden van het verbond kunnen aanwakkeren.
De vraag van Mozes en Aäron aan farao voor de toelating van een pelgrimstocht en een offerfeest ter ere van een god is niet overdreven. Zelfs al nam dat feest een week in beslag. Het was niet ongebruikelijk in Egypte dat ook grote feesten6 en vrije dagen kende. Dat dit feest buiten het zicht van Egypte zou plaatsvinden is ook niet onlogisch omdat Egypte een afschuw7 heeft van dat gedoe van de stam van Jakob.

1 Genesis 40,15.
2 Genesis 10,21.
3 de vruchtbare streek van het Midden-Oosten.
4 Genesis 41,14; Genesis 46,34.
5 Exodus 3,18.
6 Afbeeldingen en verslagen in de Luxortempel geven het verloop van dagenlange feesten weer. (zie het Oude Egypte Forum)
7 Genesis 46,34.

Advertenties

Farao kent de god Jahweh niet.

De bedoeling waarom de naam Jahweh als de godheid van de Israëlieten hier gebruikt wordt, is om farao duidelijk te maken dat het niet over een van de vele Egyptische goden gaat. Ook in Egypte hadden vele stammen hun eigen goden. Dit waren allemaal goden die ondergeschikt waren aan de oppergod, de god die farao vertegenwoordigde en van wie hij de zoon was. Het gaat nu duidelijk over de god van Israël, het volk dat in slavernij onderworpen was. Het verzoek van Mozes en Aäron om Jahweh te eren met een pelgrimsfeest leert ons dat het eren van Jahweh niet in op het grondgebied van Egypte zal doorgaan1. Farao stelt echter Jahweh in vraag. Exodus 5,2: 2 Maar Farao antwoordde: `Wie is Jahwe dat ik naar Hem zou luisteren en Israël zou laten gaan? Ik ken geen Jahwe en ik laat Israël niet gaan.’ De naam Jahweh heeft in het doorgaans goed geïnformeerde hof van Egypte nog geen weerklank gekregen. De naam is niet bekend en ook de relatie met farao, de zoon van Ra, Ramses, is onbestaand. Farao ziet geen enkele verband dat hij rekening zou moeten houden met die Jahweh. Farao vraagt zelfs geen nadere omschrijving en veronderstelt al onmiddellijk dat Jahweh voor hem geen betekenis heeft. Het is een god van een slavenvolk en deze heeft zoals de slaven niets te vertellen. Trouwens als Jahweh een machtige god zou zijn, zou zijn volk niet onderworpen zijn. Het volk laten vertrekken en tijd geven om die god te eren staat haaks tegenover zijn bedoeling met het volk van Israël. Slaven moeten werken en bijkomende afwezigheden op het werk zijn schadelijk voor Egypte. Daarbij dienen slaven geen gemeenschappelijke feesten te vieren buiten het zicht van de toezichters. Het besluit van farao staat vast. Ik ken geen Jahweh en laat Israël

Farao geeft geen toestemming

niet gaan. Dit antwoord klinkt uit de hoogte alsof farao alleen alle zeggenschap kreeg toebedeeld van de oppergod waarvan hij de zoon beweerde te zijn. Heel Egypte viel onder de macht van farao, de zoon van Ra. Farao gebruikt tot twee keer de naam van Jahweh op een uitdagende manier. Dit geeft te kennen dat het hier gaat om een conflict tussen zijn persoon met een goddelijke status en Jahweh, de Ene van het volk van Israël. De strijd tussen goden weerspiegelde zich in de oudheid meestal in de gewapende machtsstrijd tussen volken. Farao vermoedt dat hij zeker niets te vrezen heeft van dat onderworpen herdersvolk. Zij zijn bijna niet gewapend en kunnen met hun ongeregelde familiebenden niet op tegen het leger van farao.
Farao kent echter de geschiedenis niet van het volk met hun god. De trots van de stammen van Israël werd aangewakkerd door hun herwonnen geloof3 en de oude verhalen over het verbond met de aartsvaders werden weer opgedist. Van zodra ze beseften dat Mozes onder impuls van de aanwezige Jahweh2 opkwam voor hen, voelden ze zich meer dan ooit een zelfstandig volk en erfgenamen van Abraham, Isaak en Jakob.
De uitdagingen voor het dienende volk waren onmenselijke geworden, ze werden onderdrukt en hadden hun eigenheid verloren. Het was tergend dat zij als slaven steeds harder moesten werken4. De productie van de stenen, die nodig waren voor de grote bouwwerken van Egypte, moest op peil blijven. Toen er meer bouwwerken in gang waren, werden Egyptische werkbazen over hen aangesteld. De macht van farao ging zelfs zover dat hij besliste over leven en dood in hun stammen toen hij beval de zonen die geboren werden in de Nijl te werpen.

1 Exodus 3,10.
2 Exodus 3,15.
3 Exodus 4,31.
4 Exodus 1,11.

De vraag aan farao om het volk van Israël te laten vertrekken.

In de originele doorlopende Hebreeuwse tekst krijgen we de indruk dat alles nu met rasse scheden vooruit gaat. We hebben begrip voor de haast, die schrijvers en de samenstellers van dit verhaal aan de dag leggen, om de speciale stappen naar de noodzakelijke bevrijding van het volk aan bod te laten komen. Maar de volgende stap kan maar nadat Mozes en Aäron de oudsten toespraken, nadat de oudsten het volk hadden ingelicht en nadat elk lid van de stammen van Israël zijn geloof in Jahweh had uitgedrukt. Hier is er echter een evolutie nodig waar heel het volk eensgezind wordt. Nadat de binding er vroeger eerder een was tussen de aartsvaders en El Shadday, de Ene, wordt er nu voor het eerst een band vermeld tussen het volk en de Ene. Pas dan heeft de aanpak van Mozes samen met Aäron, door de Ene vooropgesteld, kans op slagen. De indeling in hoofdstukken, die later toegevoegd werd, houdt er wel rekening mee dat er zich een

Mozes en Aäron
nieuwe episodeaanbiedt. Het is echter zeer onduidelijk hoeveel tijd er verlopen is tussen het toespreken van de oudsten en het bezoek aan farao. Dit is in dit verhaal zoals in vele andere Bijbelse vertellingen eigenlijk van ondergeschikte belang. Dit wordt ook aangeven doordat de naam van farao nooit vermeld worden. Volgens geschiedkundigen zou farao Seti zijn residentie naar het paleis van Zoan3 in de oostelijke Nijldelta verhuisd hebben en kan het hier gaan om zijn zoon Ramses.
Bijbelteksten geven meestal echte gebeurtenissen weer, die gebruikt worden om zingevende verhalen op te bouwen. Onjuiste feiten zouden de geloofwaardigheid van de verhalen voor de eerste toehoorders kunnen schaden. Zaken die niet essentieel waren voor hen worden daarom ook achterwege gelaten. Exodus 5,1: 1 Daarna gingen Mozes en Aäron naar Farao en zeiden: `Zo spreekt Jahwe, de God van Israël: Laat mijn volk vertrekken om ter ere van Mij een pelgrimsfeest te vieren in de woestijn.’ Mozes en Aäron gingen naar farao en er staat niet bij of zij al dan niet vergezeld waren van de oudsten van Israël, die regelmatig op hoorzitting kwamen bij farao. Deze bijeenkomsten waren bedoeld om het beleid van het hof af te stemmen op wat zich afspeelde in Egypte. Op de een of andere manier zullen de twee bij hun bezoek aan farao toch moeten beantwoorden aan de plichtplegingen aan het hof2. De vraag van Mozes en Aäron spruit voort uit de heropleving van het verbond tussen de Ene en zijn volk. Dit werd in gang gezet door de gemeenschappelijke hoop op bevrijding en het vertrouwen dat opgewekt werd door Mozes. Het is om die reden dat Mozes en Aäron als vertegenwoordigers van het volk toelating vragen om het volk Jahweh te laten eren in de woestijn. Dit was ook het uiteindelijke teken dat Mozes zou krijgen om te bewijzen dat het Jahweh was die hem gezonden heeft om Egypte te bevrijden1.
De naam Jahweh wordt meestal niet gebruikt als er over de Ene gesproken wordt met mensen die niet behoren tot het volk van Israël. Hier wordt de naam van de god van de Israëlieten wel uitgesproken tegen farao. Jahweh is de god van het volk van Israël en wordt hier dus verbonden met het volk. Voor farao is dit een eerste kennismaking met de naam Jahweh en daarom wordt er onmiddellijk bij gezegd dat het over de “Elohim” van Israël gaat. Elohim is de algemene term die gebruikt wordt voor al de godheden.

1 Exodus 3,12.
2 Genesis 41,14.
3 Psalm 78,12; Psalm 78,43. Zoan of Soan, Tanis genoemd door de Grieken en nu wordt deze stad Qantir genoemd.

Onmiddellijk gaan Mozes en Aäron naar Egypte en lichten het volk van Israël in.

Mozes reisde van Horeb naar Egypte met Aäron als zijn enige metgezel. Onderweg had hij nog ruimschoots de tijd om zijn broer, de leviet Aäron, te vertellen over alle goddelijke ingevingen. Aäron kreeg in die tijdspanne van minstens veertien dagen ruim de tijd om deze boodschappen te ordenen in een weloverwogen gedachtegang, die toegankelijk zou zijn voor de oudsten van Israël. In de volgende verzen plaats de schrijver de broers al in Egypte en werken ze al het eerste deel van de opdracht1 die Mozes kreeg af. Exodus 4,29-31: 29 Toen ging Mozes met Aäron mee en zij riepen al de oudsten van Israël bijeen. 30 Aäron bracht verslag uit van al de woorden die Jahwe tot Mozes gesproken had en voor de ogen van het volk verrichtte hij de tekenen. 31 En het volk geloofde. Toen zij vernamen dat Jahwe zich het lot van de Israëlieten had aangetrokken en hun ellende gezien had, knielden zij neer en bogen zij zich ter aarde. Ook hier is het verslag van de eerste actie van Mozes en Aäron zeer kort gehouden en kan dat aanleiding geven tot verschillende interpretaties. Hoe de oudsten samengebracht worden is niet erg duidelijk. Hoe dan ook komen de oudsten uit Goshen en uit alle hoeken van Egypte. Duidelijk is dat oudsten van Israël het volk van de stammen van de zonen van Jakob vertegenwoordigen en dat er zelfs gedurende de

Prediking brengt hoop

onderdrukking een gezagsstructuur bestond. Misschien was deze structuur om praktische redenen opgelegd door het centraal gezag van Egypte. Diezelfde oudsten van Israël maakten wellicht ook een deel uit van de vertegenwoordigers van het volk bij farao, die regelmatig verslag moesten uitbrengen bij hem. Ze moesten ook zorgen dat de nieuwe regelingen van farao bekend werden gemaakt en gevolgd werden in hun stammen. Dat de hele bevolking van Egypte vertegenwoordigd werd door de oudsten hadden we al gelezen bij de begrafenis van Jakob2. Het is daarom niet uitgesloten dat Mozes en Aäron hen treffen en de oudsten van Israël samenbrengen in de nabijheid van de residentie van farao toen ze op weg waren of net terugkwamen van een hoorzitting. Deze veronderstelling wordt bevestigd door het begin van het volgende hoofdstuk waar Mozes en Aäron naar farao gaan. Wanneer de oudsten het volk informeerden staat niet vermeld. Het is een van de schakels in het verhaal die weggelaten zijn en die ons voor vragen kan stellen. De mogelijke opeenvolging van de gebeurtenissen dienen we zelf met gezond verstand in te vullen. Het volk kan de Ene maar dankbaar zijn nadat ze ingelicht werden door de oudsten en dat ze zo merkten dat de Ene zich ontfermt over hun lot. Heel het volk prijst de Ene. Egypte maakte hen ziek en maakte hen dood. Melaatsheid en bloed waren daarvan de tekenen. De staf van Mozes was het teken van zijn leiderschap. Hij zou het volk uit de slavernij leiden. Belangrijk voor de schrijver is dat de oudsten op de hoogte gebracht worden, dat het volk zo geïnformeerd werd en dat ze overtuigd waren dat Jahweh begaan was met hun lot3 en oog had voor hun onderdrukking. Dit zette de zonen van Israël aan om dankbaar te zijn voor de Ene. Deze dankbaarheid drukken ze zichtbaar uit met lichaamstaal door te buigen en te knielen. Ze bogen het hoofd, “gadad”, en vielen plat op de aarde, “shachah”, want allen geloofden in Jahweh.

1 Exodus 3:16; Exodus 4,2-9.   
2 Genesis 50,7.
3 Exodus 3,7.

Mozes kan binnenkort beginnen aan het echte werk samen met Aäron.

Mozes wacht nu af in Midjan tot de hulp die beloofd werd door Jahweh zich aanmeldt. Zijn broer de leviet Aäron zou al op weg zijn volgens het visioen maar eigenlijk is hij nog niet eens geroepen door de Ene om Mozes bij te staan. De naam leviet wordt hier nog niet gebruikt in verband met de eredienst van Israël. Leviet is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord “lavah” dat verbonden is maar ook vergezellen en bijstaan kan betekenen. Deze laatste benadering heeft in deze omstandigheden meer zin. Mozes had de verkenning voor zijn opdracht uitgevoerd van zo haast hij wist dat hij zijn familie in Egypte zonder risico kon opzoeken. Mozes ging poolshoogte nemen in Egypte en kwam nog meer overtuigd van de noodzaak om zijn volk te bevrijden terug naar Midjan. Aäron had Mozes wellicht even gezien toen hij op verkenning was in Egypte. De voortgang van zijn bezoek in vogelvlucht bij zijn familie gaf echter geen mogelijk tot een diepgaand gesprek. Aäron moest nog veel informatie krijgen van Mozes toen hij geroepen werd door de Ene om zijn broer op te

Aärom komt Mozes helpen
zoeken in de woestijn.
In visioenen bij zijn terugkeer naar Midjan had Mozes ook nog meer inzicht gekregen over zijn terugkeer naar Egypte en over wat hem te doen en wat hem te wachten stond. De Ene wendt zich nu tot Aäron zoals al aangegeven werd in het visioen van de Ene aan de Horeb1. Exodus 4,27-28: 27 En Jahwe sprak tot Aäron: `Ga Mozes in de woestijn tegemoet.’ Hij ging op weg en trof hem bij de berg van God, en hij omhelsde hem. 28 Mozes bracht Aäron op de hoogte van al de woorden die Jahwe tot hem gesproken had en van al de tekenen die Hij hem had opgedragen. Aäron werd door de Ene naar Mozes gestuurd om hem te helpen bij het openbaar maken en uitleggen van de tekenen en de visioenen die Mozes kreeg van de Ene. Hij moest Mozes tegemoet komen in de leegte van de woestijn en in de leegte van zijn spreken. Het Hebreeuwse “midbar” kan woestijn, wildernis, weiland maar ook spraak betekenen, afgeleid van het werkwoord “darab”, doorkruisen, dat veel gemeen heeft met “dabar”, spreken.
De Horeb, de berg van God, was de plaats waar hij zijn broer trof. Mozes had hem toen hij op bezoek was in Egypte wellicht verteld dat hij de schapen van Jetro hoedde in de nabijheid van de berg van God, die goed te herkennen was vanuit de verte. Als je mij een komt bezoeken heb ik je veel te vertellen over mijn belevenissen aan de brandende struik dicht bij de Horeb. Het is een struik waarin het vuur zat maar die niet verteerde. Aäron kreeg uiteindelijk inzicht in dit teken dat dit wel eens een symbool zou kunnen zijn voor zijn volk dat beproefd wordt maar niet ten onder gaat. Redding komt en Mozes heeft er de bovennatuurlijke hulp voor. Aäron vertrok onmiddellijk van zodra dit alles duidelijk werd voor hem.
De tijd dat Mozes wachtte op de beloofde hulp om te kunnen vertrekken naar Egypte hoedde hij nog de schapen van zijn schoonvader en trok er mee naar de groene weiden die hij daar had ontdekt in de nabijheid van de Horeb. Hij mijmerde aan de voet van de berg van God en dacht op een naam voor de kleine toen Sippora hoogzwanger was. Toen werd Eliëzer geboren en kwam Aäron bij Mozes aan. Hij omhelsde hij zijn broer.
Mozes bracht Aäron op de hoogte van wat hij hoorde van Jahweh en welke tekenen3 hij moest doen in opdracht van de Ene. Hier geeft de schrijver opnieuw geen bijzonderheden en zitten alle gebeurtenissen tussen het einde van de visioenen2 en het feitelijke van het verhaal in een stroomversnelling.

 
1 Exodus 4,14.
2 Exodus 4,26a.
3 Exodus 4,3-9.