Mozes verstopt zijn wandaad.

Mozes kiest onmiddellijk de kant van de onderdrukte omdat zijn rechtgeaardheid in strijd komt met het onrecht dat hij onder zijn ogen ziet gebeuren. Hij noemt de neergeslagen Hebreeër zijn broeder. Onzeker over het bewustzijn van Mozes over zijn identiteit kunnen we dit broederschap ook anders interpreteren. Misschien voelt Mozes zich ook door het regime miskend omdat hij niet als farao of rechthebbende gekozen werd en ziet hij in de neergeslagen Hebreeër een lotgenoot, een slachtoffer van het machtsmisbruik en de discriminatie aan het hof. Om farao of respectabele prins te kunnen worden moest de naam Mosu – wat zoon van betekent in het Egyptisch – aangevuld worden met de naam van een van de Egyptische goden. Mozes voelde zich nu minder dan ooit een zoon van die goden die de schijnreden waren voor de misstanden en het onrecht in Egypte. Hij neemt afstand van het Egyptische hof en dat zou volgens Paulus in Hebreeën 11,24 blijken door het Hebreeuwse werkwoord “yatsa” in vers 11, wat vertaald kan worden door uitbreken. De vertaling die wij gebruiken spreekt gewoon van naar zijn broeders gaan. Exodus 2,12: 12 Hij keek naar alle kanten en toen hij zag dat er niemand in de buurt was sloeg hij de Egyptenaar neer en verborg hem onder het zand. Opgevoed in het gebruik van macht denkt Mozes moordend geweld te moeten gebruiken om recht te laten zegevieren. Deze denkwijze komt overeen met het denken van farao. Dit is niet de manier van handelen die bedoeld wordt door de Ene en die eigen is aan de Hebreeërs,

                                    Verborgen moord
die opgevoed zijn tot een besneden hart. Het verbond met de Ene wordt op een andere manier waargemaakt. Dat hebben Simeon en Levi ondervonden toen ze voor hun moorddadig optreden in Sichem door aartsvader Israël in zijn toekomstwensen voor alle stammen geen eigen land toebedeeld kregen1. Voor zo’n mensen is geen plaats in het beloofde land.
Het is opmerkelijk dat joodse commentaren, inclusief de beoordeling van Paulus in Hebreeën 11, deze moord verdoezelen2. Zand erover omwille van het nationalisme en het religieus fanatisme.
De moord op de Egyptenaar is niet te rechtvaardigen en is zeker niet toe te wijzen aan een goddelijke inspiratie. We leren door deze daad Mozes kennen als een onstuimige gewapende driftkop. Als verzachtende omstandigheden kunnen we verwijzen naar de uitdaging, door het onrechtmatig ingrijpen van de werkmeester, en naar het recht op het uitvoeren van een evenredige straf. Een Hebreeër wordt gedood door een Egyptenaar en als wraak wordt een Egyptenaar gedood door een Hebreeër. Dit was sedert Hammurabi een algemeen aanvaarde wet in het Midden-Oosten van die tijd.
Anderzijds moeten we toegeven dat Mozes wist dat er gevolgen zouden zijn voor deze wandaad. Eerst kijkt hij of er geen getuigen zijn, dan neemt hij het recht in eigen handen en pleegt de moord op de Egyptenaar en uiteindelijk verstopt hij het lijk in het zand. Het gevolg voor Mozes, als hij optreedt als vergelder voor een moord op een Hebreeuwse slaaf, is dat hij kiest voor de kant van de Hebreeërs. Vanaf dan hoort hij niet meer thuis bij de Egyptenaren en zeker niet meer aan het hof van farao. Dit materiële gevolg wil hij echter niet voor ogen zien en hij verbergt zijn slachtoffer. Dit is een kleinzielige Mozes, die niet onmiddellijk bereid is de rijkdom en de voordelen van het hof achter zich te laten. Zeker geen mooie man in de ogen van de Ene. Hier dringt zich een ommekeer op.
Het verbergen van die moord dient geenszins de zaak van de Hebreeërs want zolang de dader niet gevat is zullen door farao wraakmaatregelen genomen worden tegen het volk van Israël totdat de dader aangewezen of uitgeleverd wordt.

1 Genesis 49,5-7.
2 Hebreeën 11,24.

Advertenties

Mozes vermoordt een Egyptische slavendrijver.

Mozes wordt als zoon van een Egyptische prinses wellicht opgevoed zoals alle kinderen en kleinkinderen van farao. Hij leerde Egyptisch lezen en schrijven in het gewone schrift dat afweek van het symbolisch priesterschrift dat gebruikt werd bij de hiërogliefen. Dit schrift was een eenvoudig middel om brieven te schrijven of rapporten te lezen en de kennis ervan was een noodzaak aan het hof. Sommige denken dat Mozes ook inzichten verkreeg in de poëzie omdat hij in zijn latere geschriften enkele liederen in dichtvorm schreef. Rekenen en meetkunde waren ook vakken die onderwezen werden aan de kinderen van de hovelingen. Ongetwijfeld leerde hij ook het goed gedrag dat paste in de leefwijze van het hof en leerde hij over de

Opziener vermoord door Mozes
wetgeving met daarin de wettelijke verhouding tussen het hof en de andere onderdanen. Hij kreeg ongetwijfeld ook zicht op de Egyptische economie en de gang van zaken in de samenleving. Zoals veel van de zonen van farao werd ook Mozes voorbereid voor de opvolging van zijn vader of grootvader. Tijdens de opleiding in de gevechtskunst leerde hij wapens hanteren voor zijn eigen veiligheid en om zijn prinselijke machtspositie vorm te geven. Exodus 2,11-12: 11 Toen Mozes opgegroeid was ging hij eens naar zijn broeders en was getuige van hun dwangarbeid. Hij zag hoe een Egyptenaar een Hebreeër neersloeg, een van zijn broeders. Mozes was op de een of andere wijze te weet gekomen dat hij behoorde tot de stam die onderdrukt werd door farao. Het is niet uit te sluiten dat Mozes dit hoorde vertellen door de prinses die hem als zoon adopteerde. Het is ook niet uitgesloten dat de prinses die hem adopteerde overleden was en dat Mozes op zoek was naar zijn echte herkomst. We weten ook niet of Mozes meer dan eens zijn volk en zijn familie ging bezoeken en nog minder wat hij te weet kwam over de houding van zijn volk tegenover het gezag in Egypte. Wij weten ook niet of Mozes iets afwist van het verbond van de Ene. Hier zijn veel veronderstellingen mogelijk omdat er geen reden te bespeuren valt in de tekst om een verklaring te geven voor de houding van Mozes.
Met de inzichten die Mozes in zijn hoofse opvoeding kreeg en met de ervaringen die hij had, is bij Mozes het besef ontstaan dat het regime dat gevoerd werd vanuit het Koninklijke paleis niet goed was voor alle onderdanen van Egypte. Hij zag hoe de Hebreeërs onderdrukt werden als slaven en dat was niet te rijmen met de wetten die de Ene in het hart van elke mens1 geschreven heeft. Mozes was niet alleen opgevoed in de waarden van het paleis waar hij alle technieken had geleerd. Hij was ook gegroeid in de inzichten van de rechtschapenheid. Toen Mozes opgegroeid was lezen we in het begin van het vers. De joodse traditie2 vertelt dat hij toen rond de veertig jaar was.
Mozes wordt getroffen door het onrecht dat hij ziet. Hij is geschokt door de dwangarbeid die opgelegd wordt door het regime waarvan hij als hoveling deel uitmaakt. Toen een medemens neergeslagen werd door een Egyptische man3 reageert Mozes.

1 Jeremia 31,31-34. Deuteronomium 11,18-20.
2 Het boek Jubileeën 48,1 beweert 42 jaar en in Handelingen 7,23 lezen we 40 jaar.
3 Exodus 1,11: werkbazen is hier te welbepaald en man is algemener en verwijst naar de algemene houding van de Egyptenaren.

Mozes wordt zijn naam.

De moeder van het kind kwijt zich van haar opdracht die ze gekregen had van de prinses, de dochter van farao. Op die manier kon ze rustig en zonder enige vrees haar eigen zoon voeden tot hij groot genoeg was en geen moederlijke zorg meer nodig had. Nu kan voor het kind de wereld opengaan en wordt zijn blik verruimd buiten de grenzen en de afhankelijkheid van zijn Hebreeuwse moeder. Exodus 2,10: 10 En toen het kind opgegroeid was, bracht zij het terug naar de dochter van Farao. Deze nam hem als haar eigen zoon aan. Zij noemde hem Mozes, want zo zei ze, `ik heb hem uit het water getrokken.’ De dochter van farao had de zorgen voor het jongetje, dat ze gevonden had in een schuitje tussen het riet van de Nijl, toevertrouwd aan een Hebreeuwse vrouw maar zij zou het kind aanvaarden als een eigen kind van zo haast het loskwam van de moederlijke

Mozes groeit op aan het hof van farao
zorgen. Op welke leeftijd dit was weten we niet. We mogen wel vermoeden dat dit rond de vrij prille leeftijd van twee jaar was1 toen het zogen voorbij was en er overgestapt werd naar ander vormen van voeding.
Nadat de moeder haar zoon afstond aan de dochter van farao werd het jongetje aangenomen als het kind van de prinses. Het bewijs dat het jongetje haar aangenomen kind werd, wordt geleverd doordat de prinses de jongen een naam geeft. Mozes wordt zijn naam. Dit is een Egyptische naam en betekent kortweg zoon2. De betekenis van deze naam in het denken van de dochter van farao maakt ons duidelijk dat de prinses de jongen aanziet als haar eigen zoon. Wellicht vroeg ze om vruchtbaarheid toen ze ritueel baadde in de Nijl en ziet ze de kleine jongen als een geschenk van de goden van de vruchtbaarheid. Ze kon het Hebreeuwse jongetje bezwaarlijk zoon van Ra noemen omdat deze titel voorbehouden was voor farao en tegelijk gaf ze met deze naam ook toe dat het kind niet aan een van de Egyptische goden2 toe te wijzen was. Daarom noemde ze hem gewoon “zoon” met de Egyptische uitdrukking daarvoor. Maar dat is dan een mogelijke verklaring gesteund op het Egyptisch religieus denken. Dit laatste is door het gebruik van de naam Mozes te betwijfelen omdat de naam niet aangevuld werd met de naam van de een of andere Egyptische godheid die verband houdt met de Nijl.
De prinses geeft in het Hebreeuwse Bijbelverhaal echter ook een reden waarom ze de naam Mozes koos voor het jongetje. De naam die het jongetje kreeg, had dus ook een Hebreeuwse verklaring en deze vinden we terug in de tekst. De betekenis van Mozes is dan “uit het water getrokken”. Dat rijmt volledig met het Bijbelse verhaal omdat ze haar slavin de opdracht gaf het mandje met het kind uit het water te nemen. Ze had hem “uit het water getrokken” en zo de vondeling gered en als haar eigen kind aangenomen. De onmiddellijke adoptie was ook de reden waarom de prinses een vergoeding gaf om het kind te voeden en groot te brengen tot het geen borstvoeding meer nodig had. Voor het volk van Israël en voor de Bijbel is de verklaring “uit het water getrokken” echter de enig juiste en zinvolle uitleg voor de naam Mozes. Mozes, “Mosjeh”, is immers afgeleid van het werkwoord “mashah” dat uittrekken betekent. Met deze naam is Mozes een zoon van Israël die onder bijzondere omstandigheden gered werd.

1 Genesis 21,8.
2 Meerdere Egyptische namen van farao’s of Egyptische prinsen zijn samengesteld uit mosu (mesu) met daarvoor de naam van een of andere op dat moment belangrijke godheid: Ramesu (Ramses); Aahmesu (Amoses), Amenmesu (Amenmose), Thotmesu (Thoetmoses).

De moeder moet het jongetje voeden.

Het meisje, dat op de uitkijk stond en bij de vondst van het schuitje zich aanbood, wist dat ze niet ver zou moeten zoeken naar een vrouw die het kleine jongetje zou kunnen voeden. Het Hebreeuwse “almah” laat vermoeden dat de zus, van het jongetje van drie maanden oud, als maagd de huwbare leeftijd had. In die tijd bekeken zou ze een jong meisje zijn van twaalf jaar of iets ouder. Zij was de zus van het jongetje dat gered werd uit de Nijl door de prinses en wist heel goed waar ze haar moeder kon vinden. Exodus 2,8-9: 8 De dochter van Farao antwoordde: `Ja, doe dat.’ Het meisje snelde weg en haalde de moeder van het kind. 9 De dochter van Farao beval haar: `Neem dit kind mee en voed het voor mij; ik zal u er persoonlijk voor belonen.’ Toen nam de vrouw het kind mee en voedde het. De dochter van farao kon zich helemaal vinden in het voorstel van het meisje. De prinses was tevreden dat het meisje zo bereidwillig was om een voedster te zoeken bij de Hebreeuwse vrouwen. Deze

Moeder mag het kind voeden
weten hoe ze met hun kinderen moeten omgaan. Tenslotte is het paleis van farao geen kinderopvang en daarbij is het er veel te gevaarlijk voor jongetjes van de Hebreeuwen. Daarom gaf de prinses toen de voedster van het kind, die eigenlijk ook de moeder was, ook de opdracht aan de vrouw het kindje mee te nemen en het te voeden. Ze vroeg zelfs om het jongetje mee te nemen naar huis en het een tijdlang te voeden. De vrouw zou er zelfs voor beloond worden. We weten niet hoelang de zoon bij zijn moeder zou blijven maar kunnen ook vermoeden dat ze het jongetje zou opvoeden als een zoon van Israël.
Dit staat helemaal in tegenstelling met de houding die farao had bevolen en de dood die hij verklaard had aan alle zonen van Israël. Zijn dochter beveelt het zoontje in leven te houden en geeft daar zelfs een beloning voor. De moeder van het kind voelt zich nu beschermd door het hof en geniet van een bijzonder richtlijn. De overwinning van de “kleine goedheid” tegen de het grote kwaad maakt het hart van mensen in wanhoop vreugdevol. Voor haar is er in de bovennatuurlijke ommekeer van de onmenselijkheid een beloning en geen straf om een zoon van Israël groot te brengen. Meer dan eens in de Bijbel komen we op een onverklaarbare manier tot een omkering van uitzichtloze situaties. Jakob die vreesde voor zijn leven bij de confrontatie met zijn broer ontkomt. Jozef die als slaaf verkocht wordt, redt zijn volk van de hongerdood en geeft hen de mogelijk om een groot volk te worden. Het volk van de Ene, de mensen die vertrouwen en leven als besnedenen van hart zijn niet uit te roeien. Er komt steeds een oplossing voor zij die rechtgeaard zijn. Ook Noach ontsnapte aan de tirannie van de reuzen en werd gered in een ark1, “tebah” in het Hebreeuws, die op het water dreef. Ook die kleine jongen van drie maand oud ontsnapt aan de tirannie van farao in een schuitje, “tebah” in het Hebreeuws, dat op het water dobberde. Dit zijn de steeds weerkerende verhalen over de zachte overwinningen van de zwakken, de kleinen tegen de overheersing, tegen de vernedering en de bedreiging van de sterken, de heersers en de ontwerpers van schijngoden. Deze verhalen sterken ons in de strijd met de Ene en leren ons dat hoop en vertrouwen steeds terecht zijn voor de rechtschapenen2, die besneden van hart zijn en op deze manier leven als verantwoordelijke herders voor heel de schepping.

1 Genesis 6,14.
2 Genesis 7,1.

De dochter van farao heeft medelijden met het schreiende jongetje.

De zuster van het jongetje, die in de gaten hield wat er gebeurde, ziet dat de dochter van farao door het wenen van haar broertje ontdekt had dat er een klein schuitje op het water dobberde. De kleine had honger en liet zich horen net toen een van de dochters van farao het diepere water opzocht. Nadat een slavin haar het mandje had gegeven nam ze het deksel van het waterwiegje. Exodus 2,6-7: 6 Zij maakte het open, keek en daar lag een schreiend jongetje. Vol medelijden riep zij: `Natuurlijk een Hebreeuws kind!’ 7 Toen kwam de zuster van het kind aan de dochter van Farao vragen: `Zal ik bij de Hebreeuwse vrouwen een voedster gaan zoeken, om het kind voor u te voeden?’ Het kind wordt in het Hebreeuws op twee verschillende manieren omschreven in dat

dochter van farao
ene vers. De prinses zag “yeled” en dat betekent een jongen. Omdat “naar”, het kleine kind, weende had ze medelijden. Ze overweegt dan dat dit een Hebreeuws “yeled”, jongetje, was. De volgorde in deze zin geeft ons te kennen dat het medelijden op de eerste plaats komt. De veronderstelling dat het een Hebreeuws jongetje was komt op de tweede plaats en is het gevolg van de gedachte dat een moeder haar zoontje daar gelegd heeft om het te beschermen tegen de maatregelen van haar vader. Geen enkele moeder zou haar kind achterlaten tussen het riet van de Nijl als daar geen goede reden voor was. Het wenen van de baby geeft aan dat de klein honger heeft en zorgen nodig heeft. De dochter van farao voelt zich aangesproken door die kleine noodkreetjes. Eigenlijk de noodkreten van heel het volk van Israël maar zo ziet de prinses het niet. Ze wordt aangegrepen door een concrete nood van een onschuldig klein mensje en is daardoor bevrijd van alle vooroordelen over dat andere volk. Zij voelt dat kind aan alsof het de “Andere” is en past “de kleine goedheid” toe1. Die goedheid wordt omschreven als deze die niet misvormd werd door systemen, organisaties en doctrines.Uit de tederheid die de prinses uitstraalde, putte de zuster van het jongetje de moed om uit haar schuilplaats te komen. Alsof ze alleen maar het tafereel per toeval had gezien stap ze toe naar de edele dame. Het meisje bood meteen een oplossing aan voor het probleem van het wenen van het kind. Ongetwijfeld had de kleine honger en zo’n klein kindje laat je toch niet verhongeren en daarom zoek je de beste en snelste oplossing om te verhelpen aan deze noodsituatie. Hier wordt niet nagedacht aan staatszaken maar wordt concrete hulp voorgesteld. De prinses die zich verantwoordelijk voelt voor haar vondeling vraagt niet liever dan dat de kleine, waar ze zoveel medelijden mee heeft, geholpen wordt. Het meisje weet precies hoe ze de prinses moet overtuigen om de toelating te krijgen om de kleine te laten zogen door een Hebreeuwse voedster. We zouden ons de vraag kunnen stellen of het verloop van heel dit verhaal vooraf gepland werd door de moeder van het Hebreeuwse jongetje of dat er hier andere dingen meespelen die van een hogere orde zijn. Dit laatste laat de schrijver van dit verhaal ons vermoeden omdat geen enkel naamloze persoon in dit verhaal de hoofdverantwoordelijkheid kan opeisen.

1 zoals Levinas het zou schrijven in zijn “Totality and Infinity” (1961).