De Hebreeuwse verslaggevers ook onder druk gezet.

De omstandigheden veranderen grondig en er ontstaan onhoudbare spanningen op de werven, waar de stenen gevormd worden. Exodus 5,12-14: 12 Toen liep het volk heel Egypte af om stoppels te verzamelen. 13 De opzichters joegen hen op met de eis: `Jullie moeten elke dag hetzelfde werk leveren als toen er nog stro werd gebracht.’ 14 De Israëlitische voormannen, die de opzichters van Farao over hen hadden aangesteld, werden mishandeld. Men verweet

Stro zoeken in Egypte.

hun: `Waarom hebben jullie vandaag en gisteren niet dezelfde hoeveelheid stenen afgeleverd als tevoren?’ Bewust van de noodzaak om goede stenen af te leveren, gaan al de Hebreeuwen heel Egypte rond om “qash”, stoppels van stro te zoeken, om te verwerken in de stenen. Hier stelt de schrijver voor dat ze stoppels gaan zoeken. Zij moeten daarvoor met zijn allen heel Egypte rondtrekken naar de maïs- en graanvelden waar geoogst werd en het graan gewonnen werd. Daar moesten ze het achtergelaten stro ophalen. De vermelding van heel Egypte en stoppels hanteert de schrijver om dit onderdeel van de arbeidsgang nog zwaarder voor te stellen. Eigenlijk zoeken ze de streken van de Nijl af, waar er landbouw mogelijk is, naar stro, dat later versneden wordt tot stoppels aangepast aan de maten van de stenen. Dit bijkomende werk is echter zonder twijfel zeer arbeidsintensief en tijdrovend en terwijl ze met zijn allen de “stoppels” vergaren kunnen ze ook geen stenen vormen. De met stokken gewapende opzichters merken meteen dat de werkplaatsen waar de zwarte klei in de vormen worden gekneed. leeglopen en meteen jagen ze de slaven, die terugkwamen met stro, op met de eis van farao dat er elke dag evenveel stenen moeten gemaakt worden.
De Hebreeuwse voormannen1, die de administratie bijhielden van de productie, werden gecontroleerd door de toezichthouders van farao. Omdat ze met hun aantekeningen de geëiste productie niet konden bewijzen, werden ze mishandeld. Als verantwoordelijken voor de productie werden zij aangesproken door de toezichthoudende controleurs van farao. Let wel dat het Hebreeuwse “nakah” staat zowel voor het letterlijk of figuurlijk “slaan”. Het is best mogelijk dat de Hebreeuwse klerken bedreigd werden met de dood want “nakah” betekent ook doden. Zij zijn immers stamgenoten van het volk, dat opgejaagd wordt door de Egyptische slavendrijvers om te beantwoorden aan het bevel van farao. De boekhouders worden ter verantwoording geroepen omdat ze niet voldoen aan de eis van farao. Hoewel het vanzelfsprekend is dat er stro opgehaald moet worden als er geen toegeleverd wordt in de steenwerven van farao, wordt deze verontschuldiging niet in rekening gebracht. De dagelijkse hoeveelheid aan afgewerkte stenen moet gelijk zijn aan de productie van voorheen. Deze eis was niet haalbaar. De achterstand heeft echter niets te maken met de luiheid van het dienstbare volk van Israël maar met hun eerlijkheid om voldoende stro te gebruiken om geen lagere kwaliteit aan stenen af te leveren. Minachting, ellende en dood zijn de prijs die farao daarvoor betaalt.

1 zie bijdrage: Slavenarbeid neemt onmenselijke proporties aan.

Advertenties

Ze zijn lui en moeten harder werken.

Het bevel van farao wordt niet aan de oudsten maar blijkbaar door de bedienden van het hof rechtstreeks aan de opzichters en de beambten gegeven om de maatregel zo snel mogelijk te laten ingaan. Zoals steeds is geen inspraak mogelijk van de oudsten want de beslissing van farao staat vast. Hij is een alleenheerser, die er op uit is zijn eigen rijkdom en macht uit te breiden en wenst geen tegenwerking van de oudsten van het volk van Israël, die het roerend eens zijn met het verzoek van Mozes en Aäron. Alles wat in het nadeel is van zijn kortzichtig denksysteem wordt arrogant van tafel geveegd. Exodus 5,9-11: 9 Deze lieden moeten harder werken, dan hebben ze hun handen vol en luisteren niet naar leugenpraat.’ 10 De opzichters en beambten gingen weg en maakten aan het volk bekend: `Zo spreekt Farao: Ik geef jullie geen stro meer, 11 jullie gaan het zelf maar zoeken. Maar je moet wel evenveel blijven afleveren.’ Farao denkt dat hij door het werk te verzwaren de mogelijkheid van het volk zal wegnemen om aandacht te hebben voor de woorden van Mozes. De oproep van Mozes, om tijd te geven aan zijn volk voor het houden van een offer voor de Ene buiten de grenzen, doet farao af als een drogreden om het werk te kunnen stilleggen. De vraag is of dit zal lukken. Farao had zich al eens misrekend aan het volk van Israël toen hij hen zwaar werk oplegde om de toename van het volk van de besnedenen van hart af te remmen. Als ze moe waren van het werk zouden ze geen kinderen meer kunnen maken. Farao onderschatte de mogelijkheid die de Ene gaf aan de zonen van Israël om vruchtbaar te zijn. Als we deze gedachte verheffen tot het inhoudelijk erfgenaam zijn van Abraham gaat het hier eigenlijk over de kracht van het verbond. Dit verbond tussen

Meer werken!

de Ene en Abraham en zijn nageslacht is niet te stuiten.
De maatregel van farao, die een verhard hart heeft, zal het volk, dat inzicht heeft, doen nadenken over de tekenen van Mozes en Aäron, die de nadelige invloed van het systeem van Egypte aantoonden. Dit regime brengt ziekte en dood en is niet goed voor de zonen van Israël.
Stilaan zal het volk ook gaan beseffen dat ze in hun eensgezindheid de sterkte kunnen vinden om het systeem de rug toe te keren. Ze ondergaan immers allen de druk van het beleid van farao. De staf van Mozes maakt hem tot een goede herder, die waarschuwt voor de gevaren en de slechte invloed die ze ondergaan in Egypte. Dit zijn geen leugens, hoewel farao spreekt van de stam “shaqar”, vertaald vals spelen, liegen of sjacheren bij het verkopen.
Farao laat zijn woorden herhalen door de opzichters en de beambten. Het woordelijk aanhalen van het nieuwe bevel van farao laat er bij het volk geen twijfel over bestaan hoe farao omgaat met hen. Hij treft onmenselijke maatregen, die geen tegenspraak dulden. Voor de ambtenaren en de opzichters is het duidelijk hoe ze te werk zullen moeten gaan bij dit duidelijke bevel van farao. Ze weten wat hen te doen staat. De werkdruk wordt aanzienlijk verhoogd en het werk wordt lastiger, de aantallen moeten gelijk blijven en dus moeten opzichters en ambtenaren meedogenloos optreden als ze willen voldoen aan de eisen van overheidswege. Als dienstbaar volk dat een zegen is voor andere volken krijgen ze geen respect en worden ze uitgebuit. Farao heeft minachting voor het volk van de Ene en roept daardoor de vloek van de Ene over zich. Eerst was de aanwezigheid van het dienstbare volk van Israël een zegen voor Egypte, nu zal het een vloek worden1.

1 Genesis 12,3.

Slavenarbeid neemt onmenselijke proporties aan.

Om zijn macht te bewijzen en om Mozes, Aäron en de oudsten van Israël in een slecht daglicht te stellen, krijgt het volk het nog harder te verduren. Meestal werden aanpassingen in de handelswijze aangebracht aan de hand van de informatie die aan het centraal gezag werden bezorg door de oudsten die de stammen vertegenwoordigen. Zij kregen naderhand bij een volgend bezoek ook de opdrachten mee de wijzigingen, die zich opdrongen, in het beleid kenbaar te maken aan hun achterban. Exodus 5,6-8: 6 Diezelfde dag nog gaf Farao aan de opzichters en beambten het volgende bevel: 7 `Voortaan moet u het volk geen stro meer geven voor de stenen, zoals tot nu toe; laat ze zelf maar op stro uitgaan. 8 Maar u moet wel dezelfde hoeveelheid stenen blijven eisen die zij tot nu toe maakten. Doe er niets af, want ze zijn lui en daarom schreeuwen ze: Laat ons gaan om offers op te dragen aan onze God. Deze keer reageert de zich in het nauw gedreven farao heel snel en laat hij onmiddellijk bevel geven door de beambten van het hof om de werkbazen, de voormannen

Harteloze traakmeesters.

en het volk ter plaatse op de hoogte te stellen van zijn verordening. Zo ontloopt hij een rechtstreekse woordenwisseling met Mozes of met de oudsten van Israël en treft hij hen in hun goede bedoelingen met het volk. De voormannen noemen in het Hebreeuws “nogeshim” en dat is afgeleid van het werkwoord “nagas” wat het drijven van dieren betekent. De beambten zijn “shoterim” en dat staat voor schriftgeleerden en boekhouders, mensen die konden schrijven en rekenen.
De werkwijze die de Hebreeuwse slaven moesten toepassen bij de aanmaak van de stenen voor de opslagplaatsen en versterkingen1 werd gewijzigd. De bakstenen van Egypte toen waren meestal groter dan de gebakken stenen, die wij gebruiken voor het bouwen van huizen. De stenen hadden een
breedte van twee handen, sommige zelfs van vier tot handen2. Ze werden gemaakt uit de kleimodder van de Nijl en werden versterkt door gehakt stro of riet er in te vermengen zodat ze bij elkaar hielden bij het drogen in de zon. Tot nu werd het stro toegeleverd naar de plaats waar de stenen gevormd werden door de slaven.
Van de een op de andere dag wordt het bevel gegeven dat de stammen van Israël zelf het stro moeten gaan zoeken. Dit is een bevel dat het werk alsmaar zwaarder maakt. In het begin wordt er stro dichtbij gevonden maar na verloop van tijd moeten ze het stro steeds verder gaan zoeken. De tijd om de stenen af te werken wordt met de dag langer.
De werkdruk wordt ook onmenselijk hoog want farao stelt dat een gelijke hoeveelheid stenen per dag moeten gevormd worden. Er mag geen vermindering, van het Hebreeuwse werkwoord “gara”, toegestaan worden. Daar mag niet van afgeweken worden en dat moet grondig bijgehouden worden door de verslaggevers. Om een gelijke productie te halen zullen de opzichters het volk nog meer moeten onder druk zetten want farao verwijt dat het volk van Israël lui is. Het bewijs van die luiheid wordt voor hem geleverd door hun vraag hen te laten gaan om dierenoffers te brengen in de plaats van hun werk te doen. In het Hebreeuws zegt farao niet dat deze offers voor hun “Elohim” bestemd zijn. Deze weglating maakt een verschuiving van de beoordeling van een religieus offer naar een feestmaaltijd mogelijk. Vleesfestijn houden in plaats van werken. Dat klinkt verachtelijk in de oren van de Egyptenaren omdat zij niet hielden van dezelfde vleesmaaltijden3.

1 Exodus 1,11.
2 enkele maten van de gebakken stenen uit die periode in Egypte zijn 38 x 17,74 x 11,43 cm en 15 x 7 x 4,75 cm (Vitruvium de Architectura, l. 2. c. 3. p. 46).
3 Genesis 43,32; bijdrage: Het feestmaal werd opgediend volgens de Egyptische welvoeglijkheid; Deuteronomium 12,15.

Alle stammen van Israël moeten aan het werk.

Terwijl Mozes en Aäron al weggestuurd zijn om hun volk aan het werk te zetten richt farao zich tot zijn administratie en tot de oudsten, die de andere stammen vertegenwoordigen, om zijn bevel te verrechtvaardigen. Farao gaat verder in zijn hardvochtige redenering en verhardt zijn standpunten omdat hij geen toestemming wil geven voor een religieuze bijeenkomst van het slavenvolk van Israël. Exodus 5,5: 5 Farao voegde er aan toe: `Ze zijn nu al talrijker dan de bevolking van het land, en dan zouden jullie nog willen dat ze het werk neerleggen?’ Wat farao zegt, ligt volledig in de lijn van het beleid dat hij uitgestippeld heeft om Egypte nog sterker en rijker te maken. Het land dat welvarend was door de natuurlijke rijkdom, die er kwam door de landbouw aan de oevers van Nijl, werd een wereldmacht. De steeds groeiende rijkdom moest beschermd worden en toenemen door de uitbuiting en door slavenarbeid.
Farao heeft het over het werk neerleggen en spreekt niet over het religieus gebeuren dat aangevraagd werd door Mozes en Aäron. Mozes en Aäron krijgen als volksleiders de schuld van een mogelijk groot verlies in opbrengst voor Egypte door het volk van Israël, dat het grootste deel van de bevolking van het land uitmaakt, van het werk af te houden. Het in Hebreeuws uitgedrukte, “am” van het “erets”, volk van het land, werd al eerder1 gebruikt om de oorspronkelijke bewoners van een land aan te geven. Hier zijn dat de Egyptenaren. Mozes en Aäron werden net weggestuurd met het dwingende bevel dat alle Israëlieten

Stenen vormen.

aan het werk moeten.
In het bijzijn van de andere oudsten waaronder deze van Israël, die het grootste aandeel van de bevolking vertegenwoordigden, vergroot farao nog eens de belangrijkheid van de verliezen door aan te halen dat het werk zou stilliggen bij een zeer groot aandeel van de bevolking. Hij merkt immers dat de oudsten van Israël na het vertrek van Mozes en Aäron achter de vraag naar de toelating tot het houden van een pelgrimstocht en het offeren voor Jahweh, blijven staan. Hij voelde zich in zijn systeemdenken, dat gebaseerd was op zijn rijkdom en macht in Egypte, erg bedreigd.
De vrees voor het aantal en de toename van de zonen van Israël was eerder al de door farao aangehaalde reden om hen te belasten met zwaardere arbeid2. Deze maatregel had blijkbaar niet de gewenste uitkomst. In de reacties van het centraal bestuur van Egypte, die tegen het volk van Israël gericht waren, zit geen zelfs geen eenduidige redenering. Enerzijds willen ze het aantal van het volk van Israël aan banden leggen en anderzijds willen ze die meerderheid van de bevolking aan het werk houden als slaven.
Het werk neerleggen, ophouden met werken, is in het Hebreeuws afgeleid van de stam “shabath”. Deze term verwijst echter niet voor farao maar voor het volk van Israël naar een religieus begrip. Dat begrip van rust na de arbeid werd als voorbeeld voor de mensen voor getoond door de Ene in het scheppingsverhaal3.

1 Genesis 23,12-13; Genesis 42,6.
2 Exodus 1,8-11.
3 Genesis 2,2.

Winstbejag versus menselijkheid.

Mozes en Aäron stellen een religieus feest voor de Israëlieten voor Jahweh aan farao. Het is een feest dat ingegeven werd door de bovennatuurlijke en dat door Jahweh afgedwongen werd om te ontsnappen aan onheil. Farao echter kent Jahweh niet en voelt zich dan ook niet aangesproken door de dreigingen die het volk van Israël zouden treffen. Exodus 5,4: 4 Maar de koning van Egypte voer tegen hen uit: `Waarom, Mozes en Aäron, waarom houden jullie de mensen van het werk? Vooruit, aan het werk!’ Voor farao lijkt de vraag van Mozes en Aäron en de dreiging van ziekte en dood bij de Hebreeuwse slaven

Onmiddellijk aan het werk

eerder op een vakbondsactie om vrije dagen af te dwingen. Zij willen ontsnappen aan het werk1, het Hebreeuwse woord “siblah” voor het werk, de lasten, die hen opgelegd werden, wordt hier herhaald. Niet werken is schade voor het systeem en een aanfluiting van het gezag van de koning van Egypte en van het systeem dat hij vertegenwoordigt.
De invloed van Mozes en Aäron op het volk wordt door de dubbele waaromvraag van farao in een bedenkelijk daglicht gesteld. Het is precies of beiden er op uit zijn het volk te misleiden. Tegelijk lijkt het een vermaning voor de twee broers uit de stam van Levi in te houden. Verspil de kostbare tijd van die mensen niet verder met jullie opruiende praatjes. Deze aantijgingen van farao zijn een bewijs dat hij geen interesse heeft verder in gesprek te gaan over de inhoud van de vraag naar een driedaagse pelgrimstocht om Jahweh te eren buiten de grenzen van Egypte. Mozes en Aäron krijgen zelfs de mogelijkheid niet het argument over de pest en het zwaard uit te diepen. Hij verwaarloost de dreigingen in te zien van die deze besmettelijke ziekte van het dodend geweld. Beide dreigingen die ook zijn volk zouden kunnen treffen. Wie de zeer besmettelijk pest verspreid en wie het dodelijk zwaard hanteert is zeer de vraag.
De hoorzittingen aan het hof van de koning van Egypte geven veel informatie aan het gezag van wat er gaande is bij de bevolking. Daarom moeten de oudsten steeds verslag uitbrengen van wat er gaande is in hun stammen. Op basis van deze gegevens wordt het beleid bepaald en worden maatregelen getroffen. We mogen veronderstellen dat Mozes en Aäron optreden als oudsten van de stam van Levi en dat ze samen met de oudsten van de andere stammen van Israël maar ook met de oudsten van Egypte aantreden. Uit de schrik die voorafging aan de maatregelen kunnen we afleiden dat de oudsten van de stammen van Israël een groot deel van de bevolking2 vertegenwoordigen. Hun invloed zal wellicht ook afhankelijk zijn van de rang van het volk dat zij vertegenwoordigen.
Anderzijds weten we dat het hart van farao verhard werd. Zijn harde standpunten hebben alles te maken met het profijt dat hij binnenhaalt door de uitbuiting van het slavenvolk. Daarom is er geen enkele reden mogelijk om de productie stil te leggen van een groot deel van de bevolking. De dwangarbeid in de steenbakkerijen moest onverminderd doorgaan3.
Mozes en Aäron worden weggestuurd met het bevel aan hun stam onverminderd aan het werk te gaan. Er is geen sprake van verlof en zeker niet om samen buiten de grenzen van het land elkaar tegen farao op te zetten.

1 Exodus 1,11; Exodus 2,11.
2 Exodus 1,7-10.
3 Exodus 1,14.