Egypte zal Jahweh leren kennen.

Het gaat alsmaar slechter in Egypteland, de burgers zijn ontevreden en farao kan ook al niet meer rekenen op het blinde vertrouwen van al zijn medewerkers1. Toch blijft farao nu nog meer dan vroeger krampachtig vasthouden aan zijn macht en aan de onmenselijke uitbuiting van zijn burgers. Het welzijn van farao en het systeem staan boven het leven van alle burgers. Exodus 9,12-14: 12 Maar Jahwe maakte Farao halsstarrig; hij luisterde niet naar hen, zoals Jahwe tevoren aan Mozes gezegd had. 13 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Ga morgenvroeg naar Farao en zeg hem: Zo spreekt Jahwe, de God der Hebreeën: Laat mijn volk vertrekken om Mij te vereren. 14 Want deze keer zal Ik mijn zwaarste plaag loslaten op u zelf,

machtige God

op uw hovelingen en uw onderdanen. Dan zult gij weten dat er op de hele wereld niemand aan Mij gelijk is. Farao wil niet luisteren naar Mozes en Aäron en wil niet aanvaardden dat alle onheil dat hem overkomt te wijten is aan zijn herhaaldelijk weigeringen het volk van Israël te laten gaan om te offeren voor Jahweh. Hij wil het verband niet zien hoewel zelfs zijn magiërs hem uitlegde dat wat gebeurde niet te verklaren was en wees in de richting van iets bovennatuurlijk. Ze noemden het de vinger van God2. Verblind door zijn vermeende goddelijke status hoefde farao zelfs zijn geleerden niet meer om hem bij te staan. Zo gaat dat met kortzichtige despoten die leven in hun eigen licht. Ze versterken hun eigen overtuiging, ze houden vast aan hun ideeën en schrikken niet terug om hun wil door te dringen ten koste van mensenlevens.
De tekenen volgden elkaar nu heel snel op en Mozes kreeg opnieuw de opdracht om de volgende morgen naar farao te trekken. De Ene voert de druk op farao in stijgende lijn op. Farao krijgt zelfs de kans niet meer om te vragen dat Mozes zou tussenkomen want Mozes staat elke morgenvroeg bij farao al klaar met nieuwe tekenen. Farao had immers zijn belofte niet nagekomen nadat Mozes gebeden had tot Jahweh om de zwermen weg te nemen. Hoog tijd om farao nog eens op het hart te drukken dat het er Jahweh om te doen is zijn volk te laten gaan om te offeren en hem zo eer toe te brengen. Het vasthouden aan het systeem van Egypte is de oorzaak van de slechte gang van zaken. Maar farao ziet dat niet in. Hij is zelfs in het stadium gekomen dat hij dit niet meer kan zien omdat hij volgens de menselijke logica alles moet doen om zichzelf en het regime te redden. De Ene geeft toe dat de mens vastzit aan de drang naar macht, bezit en faam eens hij gevangen zit in het net van die aardse waarden. Dat behoort nu eenmaal tot de vrijheid van keuze van de mens. De Ene maakt farao nu voor het eerst halsstarrig sedert het begin van de van de tekenen over Egypte. Mozes was wel al enkele keren3 op de hoogte gebracht dat dit zou gebeuren en farao zelf had al meer dan eens de keuze gemaakt niet te willen toegeven aan de eis die Mozes hem in de naam van Jahweh stelde. Laat het volk gaan om te offeren voor Jahweh.
Mozes moet nu dreigen met de zwaarste plaag tot nu toe. Het zal een onweerlegbaar teken zijn dat er geen god gelijk is aan Jahweh. Deze plaag zal farao, zijn hovelingen en zijn trouwe onderdanen hard treffen en niet de Israëlieten. De plagen worden nu gestuurd naar het hart, “leeb”, van farao staat er in het Hebreeuws te lezen.

1 Exodus 9,11.
2 Exodus 8,15.
3 Exodus 4,21; Exodus 7,3.

Advertenties

Zwerenplaag treft ook de magiërs van farao.

De brandende ontstekingsbulten die uitbreken als blazen zoals beschreven in de Hebreeuwse tekst in Exodus 9,9 vinden we ook bij Job1, die geplaagd wordt met huidvraat. Deze huidziekte was volgens de voorschriften in de Bijbel de aanleiding tot het afzonderen van mensen en tot het nemen van bijzondere maatregelen totdat de priesters de toelating gaven terug te komen naar de gemeenschap2. Exodus 9,10-11 : 10 Zij namen dus roet uit een smeltoven en verschenen daarmee voor Farao. Mozes wierp het roet in de lucht, en mensen en dieren kregen builen die openbarstten en gingen etteren. 11 Door de builen konden zelfs de magiërs het niet meer bij Mozes uithouden; want ook zij zaten vol builen net als de andere

Magiërs vluchten
Egyptenaren. Zijn namen “roet” laat ons zeggen “as” uit de smeltoven en verschenen daarmee voor farao. Mozes en Aäron stonden daar voor farao met hun handen vol assen en zonder enige uitleg en zonder de eis van de Ene te herhalen, wierpen ze uiteraard beiden de assen de lucht in. Nog meer dan bij de vorige plaag lijkt dit wonderlijke verschijnsel dat ook opeens optreedt en nu zowel mens als dier treft van bovennatuurlijke aard te zijn.
Dat magiërs konden niet voor Mozes blijven staan, staat er letterlijk. Eigenlijk erkennen de dienaren van farao dat ze Mozes niet in de weg konden staan omdat ze zelf gebukt gingen onder de zwerenplaag. Waar er altijd neergekeken werd op de Hebreeuwen omdat ze niet zo zindelijk waren als de Egyptenaren, zijn de posities nu omgewisseld. Ze moeten toegeven dat ze met hun wetenschap en hun goden niet bij machte zijn bij deze zesde plaag noch in het verweer noch in de tegenaanval kunnen gaan. Het was enige tijd dat ze er niet meer in slaagden enig weerwerk te bieden in dienst van farao. Eerder hadden ze farao, die ze nu helemaal in de steek moeten laten, al verwittigd dat alle tekenen wezen naar de vinger van God. Ze hadden dat ondervonden toen ze de derde plaag van de kikkers geen halt konden toeroepen3 en bij de volgende plaag van de luizen gaven ze hun onmacht helemaal toe. Het erkennen van hun onmacht ging niet gepaard met het erkennen van Jahweh als de Ene. Ze bleven verankerd en verknocht aan hun goden en aan hun farao. Hun hart bleef Egyptisch. Daardoor stonden ze bij deze ontmoeting met Mozes en Aäron nog steeds aan de zijde van farao, hoewel ze als verstandige mensen met inzicht beter zouden moeten weten. Nu echter druipen ze beschaamd af door hun vieze uitzicht en door hun gezichtsverlies dat alsmaar duidelijker werd. De magiërs verdwijnen van het toneel omdat de Egyptische afgoderij hen achterlaat als zwakkelingen, die geen redding kunnen brengen in nood. De magiërs ondergingen hetzelfde lot van alle Egyptenaren en hun dieren. Zwerende ontstekende puisten teisteren alle mensen en dieren die Egyptisch zijn. Dit is de eerste keer dat ook mensen getroffen worden met een dodelijke plaag waar weer het volk van Israël gespaard blijft. Deze zwerenplaag is de derde plaag waardoor Israël niet getroffen wordt. Ze werden ook al gespaard van de zwermenplaag en van de plotse dodelijke ziekte bij het loslopende vee.
Volledigheidshalve vermelden we nog dat sommigen4 denken dat het toch over roet gaat dat in de lucht werd gegooid. Dit omdat bij een bepaald stadium van de pest zwarte brandende abcessen, ook antrax genoemd, te zien zijn bij de runderen.

1 Job 2,7.
2 Leviticus 13.
3 Exodus 8,4-15.
4 Cyclopaedia van Herzog bijdrage van Leyrer over dit onderwerp.

De plaag van de zweren op mens en dier.

De administratie van farao begon met het opmeten van de schade nadat de veepest over heel het land heel wat vee had gedood omdat farao precies moest weten hoe hij de volgende belastingbedrag zou moeten berekenen. De dode dieren werden zonder veel respect voor hun goddelijk imago op stapels gegooid en verbrand. Exodus 9,7-9 : 7 Farao liet navraag doen, en inderdaad was er bij de Israëlieten geen enkel dier gestorven. Toch bleef Farao onwillig en hij liet het volk niet vertrekken. 8 Toen sprak Jahwe tot Mozes en Aäron: `Neem een handvol roet uit een smeltoven. Mozes moet dat voor de ogen van Farao in de lucht werpen. 9 Het zal over heel Egypte stuiven en overal bij mens en dier builen veroorzaken die openbarsten en gaan etteren.’ De vaststelling dat er bij de Israëlieten geen enkel dierlijk

as verstrooid over Egypte

slachtoffer viel, liet hem niet onberoerd maar toch zou hij niet toegeven om het volk van Israël buiten de grenzen van Egypte de kans te geven te offeren voor Jahweh, de god van de Hebreeuwen. Nu zeker niet met die schaarste aan vee. Opnieuw stellen de Egyptenaren vast dat hun genezende goden hen bij deze plaag in de steek lieten. Hun levende bezittingen zoals ze met de Hebreeuwse term “miqneh” genoemd werden en die ze verworven of gekweekt hadden werden niet beschermd door onder andere1 Horus of zijn wederhelft Ta-Bitjet die voor de bescherming en genezing instonden.
Nu farao nog steeds bij zijn hard standpunt blijft, volgt er opnieuw een reactie van de Ene. Mozes en Aäron werden nu samen door Jahweh aangesproken in een visioen. Ze kregen de opdracht om roet rond te strooien dat zweren veroorzaakte bij alle dieren en heel de bevolking van Egypte. Dit teken wordt ook in gang gestoken in het zicht van farao en zonder nog te herhalen waar het om te doen is. Het moet farao ondertussen al heel duidelijk zijn dat de plagen over Egypte komen omwille van zijn halsstarrigheid.
Welke ziekte de zesde plaag zou teweeg brengen door het strooien van het as uit de smeltovens is nogal onduidelijk. Onze vertaling wijst in de richting van zwart “roet” uit en oven die gebruikt werd om wellicht metalen te smelten. Het Hebreeuws “puach” wijst naar het fijne as dat weggeblazen kan worden en “kibshan” afgeleid van “kabash” dat smelten betekent is dan inderdaad een smeltoven. Welk metaal, glas of glazuur gesmolten werd in die ovens is niet duidelijk maar het is wel een techniek die niet toegepast werd door de Hebreeën en ook niet van toepassing was bij de aanmaak van de stenen door de slaven. De stenen met het stro erin droogden immers in de zon. De opdracht aan Mozes en Aäron om enkele volle handpalmen van die as te nemen komt er pas nadat ze bij farao zijn. Een veronderstelling zou kunnen zijn dat de as genomen werd uit de ovens waarin de afgodsbeeldjes geglazuurd werden2. Een ander veeronderstelling is dat het hier gaat over een wijd verspreidde en gekende ziekte in Egypte3. De ziekte die Mozes uitbeeldde als hij zijn hand tussen zijn kleed vandaan haalde4. Een ziekte die we in verband brachten met lepra. Omdat de ziekteverschijnsel zich hier ook op de dieren vertoont, moeten we echter twijfelen aan deze veronderstelling hoewel we bij de plagen niet te zeker kunnen zijn over mogelijke uitvergrotingen.

1 verder zijn er ook nog Amenhotep, god van de genezing of Sechmet en Selket, beiden godinnen van de genezing.
2 zoals de
overal te vinden geglazuurde scarabeeën.
3 Deuteronomium 28,27.
4 Exodus 4,6 en bijdrage: De zieke en de gezonde hand.

De veepest treft Egypte maar de zonen van Israël niet.

In navolging van wat de Ene Mozes had opgedragen, laat Mozes farao ook weten welke dieren niet getroffen zullen worden en wanneer de veepest over Egypte komt. Exodus 9,4-6: 4 Daarbij zal Jahwe onderscheid maken tussen het vee van Israël en het vee van Egypte. Van de kudden der Israëlieten zal geen dier verloren gaan. 5 Jahwe heeft ook het tijdstip vastgesteld: morgen zal Jahwe dit alles aan het land voltrekken.’ 6 De volgende dag deed Jahwe zijn woord gestand: al het vee van de Egyptenaren kwam om, maar bij de Israëlieten stierf geen enkel dier. De Egyptische administratie maakte geen onderscheid en liet alle bewoners van het land fiks bijdragen zonder rekening te houden met de omstandigheden waarin de

bekwame veehouders

Israëlieten leefden als slaven. Maar de Ene maakt wel een onderscheid zoals in Exodus 8,23. De zonen van Israël gaan niet gebukt onder de kwalijke zaken en de afgoden van Egypte en dat is hun redding. Hun herderlijk omgaan met het vee, als een mogelijkheid die de natuur hen heeft gegeven, zorgt ervoor dat hun vee gespaard blijft van kwalijke ziekten. Zij verheerlijken het bezit niet en maken geen goden van hun vee. Ze behandelen hun vee zelfs in moeilijke omstandigheden als goede herders, die zich bewust waren van hun beroepskennis1. Het volk van Israël onderscheidt zich daarin van Egypte en dat is hun redding. Hun jammerklachten werden gehoord door de Ene en hij werd hun Jahweh, die hen beschermt tegen het onrecht van de slavernij en de onderdrukking. Bij hen zal geen dier bezwijken aan de veepest.
De rechtvaardige goddelijke ingreep krijgt een wonderbaarlijk karakter door het precies bepalen van het tijdstip van het uitbreken van de veepest. Ook de algemeenheid, de gerichtheid en de snelheid van het sterven van het vee zijn van een bovennatuurlijke aard. Jahweh bepaalt nu het moment dat het teken zou plaatsvinden en dat in tegenstelling met farao die van Mozes bij het derde teken de kans kreeg nog te bepalen wanneer de kikkerplaag moest ophouden. Jahweh gebruikt nu dezelfde termijn: Morgen. Zij die vertrouwen hadden in Jahweh en in de woorden die Mozes sprak op bevel van de Ene, kregen zo de tijd hun vee binnen te halen in de stallen.
De volgende dag gebeurde waarmee Jahweh gedreigd had. Al het vee van Egypte dat niet in de stallen stond werd getroffen door de pest en stierf. Die dreiging klonk niet voor het slavenvolk en hun vee bleef gespaard. Na de zwermenplaag is dit de tweede keer dat de zonen van Israël een onderscheiding kregen van Jahweh. Dit sterkte hun vertrouwen in de Ene en hun overtuiging dat ze helemaal zouden gered worden uit het systeem van Egypte als ze maar geen oog hebben voor die onbetrouwbare dierlijke goden en als ze maar voldoende respect opbrengen voor de natuur die hen gegeven was. Zij zullen gered worden uit het religieus en opgedrongen denkpatroon van Egypte. Ze worden bevrijd uit de slavernij omdat ze andere keuzes maken en omdat ze beseffen dat de Ene hun bezit niet kan zijn.

1 Genesis  46,34.
2 Exodus 8,6.

Pest op komst over het vee van Egypte.

Er is voor farao geen reden meer om de tekenen in twijfel te trekken want vanaf de derde plaag hebben de Egyptische geleerden erkend dat de vinger van God iets met die plagen te maken had. Het waren alle vingerwijzingen die een betekenis hadden. Nu farao ook geen reden meer had om de tekenen af te doen als toverkunsten ondervond hij de noodzaak niet te zoeken naar de betekenis van die tekenen. Ook de macht van de Ene was hem geen zorg. De Ene had zopas ook tot de laatste kever weggehaald uit Egypte na het smeekgebed van Mozes. Farao had Mozes beloofd dat het volk van Israël buiten de grenzen van Egypte kon gaan offeren voor Jahweh. Maar farao komt zijn afspraak met Mozes niet na omdat hij een hard hart heeft. Exodus 9,1-3: 1 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Ga naar Farao en zeg hem:

Israël moet offeren voor Jahweh

Zo spreekt Jahwe, de God der Hebreeën: Laat mijn volk gaan om Mij te vereren. 2 Want als ge weigert hen te laten gaan en hen nog langer tegenhoudt, 3 dan slaat de hand van Jahwe uw vee dat buiten graast met een verschrikkelijke pest, de paarden en de ezels, de kamelen en de runderen, de schapen en de geiten. Mozes krijgt onmiddellijk, na de weigering van farao, nieuwe aanbevelingen van Jahweh. Mozes moet weer het woord voeren en farao zeggen wat Jahweh hem voorgezegd heeft. Deze keer laat de Ene zich Jahweh, de God van Hebreeuwen, noemen. Het bevel van Jahweh klinkt door de opeenvolgende kernachtige herhalingen alsmaar dwingender. Laat mijn volk gaan om mij te vereren! Duidelijker kan Mozes het ook niet zeggen. Om de eis opnieuw kracht bij te zetten, volgt er al onmiddellijk een nieuwe dreiging. Deze keer zullen de loslopende dieren van de veestapels getroffen worden door de pest. Over welke dieren het gaat wordt nauwkeurig beschreven. Het zijn de paarden, de ezels, de kamelen en de runderen maar ook de schapen en de geiten. Veel van dat vee was in eigendom van het hof1 dat zich op die manier verrijkt had door het innen van belastinggeld in natura. Ongetwijfeld waren ook de bekwame herders, de zonen van Jakob, en de Egyptische boeren het slachtoffer geweest van deze buitenmatige heffingen. De aantallen van de veestapel, dat in staatseigendom was, waren zo groot dat ze zelfs geen stallen hadden voor alle aangeslagen dieren. De zorg voor de dieren was minimaal geworden omdat er in de eerste plaats te veel dieren waren in eigendom van de staat en omdat de bekwame herders gedwongen werden tot slavenarbeid in de productie van stenen. De dieren raakten verwaarloosd en bleven onverzorgd achter in de open velden. Het Hebreeuwse “sadeh” is niet alleen het veld maar ook het wild. Dit laatste betekent dat de dieren niet verzorgd werden.
De Ene is hier blijkbaar de rechtvaardige rechter die het vee afneemt dat onrechtmatig van de Hebreeuwen werd afgenomen. Als God van de Hebreeuwen laat  Jahweh gerechtigheid geschieden in de ogen van de zonen van Israël. De hand van Jahweh slaat het vee en Aäron hoeft geen oordeel meer te vellen deze keer. De pest trof niet alleen de rijkdom van Egypte maar bezorgde ook in de landbouw en het transport veel problemen omdat ossen en ezels de pest niet zouden overleven. De handel met het buitenland werd door het aangekondigde verlies van kamelen op die manier ook ernstig geraakt en de militaire slagkracht die ze te danken hadden aan de wendbare paarden verminderde.

1 Genesis 47,6 en 17.