De bewuste juiste maar als fout aangemerkte keuze van Israël.

Jozef kijkt op na de zegen die ontving van zijn vader Israël en hij denkt dat er iets fout loopt bij de zegen voor zijn zonen. Genesis 48,17-19: 17 Toen Jozef merkte dat zijn vader de rechterhand op het hoofd van Efraïm gelegd had, vond hij dat verkeerd; hij greep de hand om ze van Efraïms hoofd te verwijderen en ze op het hoofd van Manasse te leggen. 18 Hij zei tegen zijn vader: ‘Niet zo, vader, want dit is de oudste; op zijn hoofd moet u uw rechterhand leggen.’ 19 Maar zijn vader weigerde en zei: ‘Ik weet het, mijn zoon, ik weet het. Ook hij zal tot een volk uitgroeien en groot worden, maar zijn jongere broer zal groter zijn dan hij, en zijn nageslacht groeit uit tot een menigte volken.’ Jozef probeert de rechterhand van zijn vader weg te nemen van het hoofd van Efraïm. Hij drukte zijn sterk ongenoegen1 uit over deze fout van zijn vader. Het was gebruikelijk dat de oudste zoon de zegen kreeg. Dat was ook de overtuiging van Abraham in zijn tijd2 omdat dit ook bij de nabije stammen de traditie was.

Zegenen

Dat is trouwens de natuurlijke band van vaders met hun oudste zoon. Zij worden de opvolger. Bij Isaak was het overduidelijk dat hij meer van Esau hield3. Maar deze voorkeur komt bij Jozef niet aan bod in de tekst.
Maar Israël antwoordt Jozef en zegt dat hij weet dat zijn rechterhand niet op de oudste zoon rust. Hij weet het heel duidelijk want hij herhaalt en zegt: “Ik weet het, mijn zoon, ik weet het”. Hij is zich zeer goed bewust van zijn keuze voor Efraïm. De familiegeschiedenis leerde hem dat de keuze voor de nalatenschap van het verbond steeds viel op de meest geschikte. Dit was de inspiratie van waaruit de aartsvader Israël zijn zegen gaf. Jakob werd helemaal niet beïnvloed door zijn vrouw zoals de aartsvaders Abraham en Isaak. Hij werd wellicht geïnspireerd door zijn eigen levensverhaal en zijn ervaring in Peniël4 waar hij bevestigd werd door de Ene met zijn aartsvaderlijke naam Israël. Hij kon ook niet meer rekenen op het aanvoelen van de aartsmoeders, dat hen meegegeven werd door de Ene. Rachel was overleden en Lea was wellicht ook gestorven want haar naam komt al een tijdje niet meer voor in de Schrift5.
Na de kordate tussenkomst van Israël spreekt hij zalvende woorden tot Jozef. Dit is sterk te vergelijken met de woorden die de Ene sprak tot Abraham6. Ook de oudste zoon zal een volk worden. Het tweede deel van deze uitspraak heeft dan iets weg van de belofte7 die Rebekka kreeg7 van de Ene. De jongste zal groter zijn dan de oudste. Deze uitspraken hebben ook hier betrekking tot de toekomst van het volk van Israël. Het zijn precies voorspellingen en deze worden dan zelfs zowat tweehonderd jaar later bevestigd in Numeri8. In de verdere verdeling en samenvoeging van de stammen in Numeri veranderen deze verhoudingen9. Maar omdat de stam van Manasse zal opgesplitst worden in twee gebieden zal deze aan invloed inboeten. Efraïm wordt een zeer belangrijke stam die samen met negen andere stammen het noordelijk rijk zal vormen dat Israël zal noemen. De stam Juda zal echter het nalatenschap van het verbond opeisen. Voor Jakob sterft, stippelt hij in helderheid van geest de toekomst uit voor zijn volk. Dit zal hem rustig laten sterven in de wetenschap dat hij leefde in de sfeer van het verbond waarin hij zijn bijdrage leverde tot de realisatie ervan.


1 Numeri 11,10 en Jozua 24,15 o.a. interpreteren het Hebreeuwse “ra’a’” ook op deze wijze.
2 Genesis 21,11.
3 Genesis 25,28.
4 Genesis 32,25-31.
5 Genesis 34,1.
6 Genesis 21,13.
7 Genesis 25,23.
8 Numeri 1,32-35.
9 Numeri 26,34 en 37.

Advertenties