Het gezin van Jozef wordt gezegend.

Hoewel Israël gezegd had dat hij zijn kleinzonen wou zegenen, heeft hij tot nu nog geen zegen uitgesproken. Wij zien Jozef buigen voor zijn vader en Israël met zijn uitgestrekte armen gekruist en met zijn handen op de hoofden van zijn kleinzonen, Efraïm en Manasse. Genesis 48,15-16: 15 Toen zegende hij Jozef en sprak: ‘De God naar wie mijn vaderen Abraham en Isaak hun schreden richtten, de God die mijn leven lang mijn herder is geweest tot op de dag van vandaag, 16 de engel die mij verloste uit alle nood, moge deze jongens zegenen. Moge in hen, mijn naam en de naam van mijn voorvaderen Abraham en Isaak, voortleven, mogen zij talrijk worden in het land!’ De zegen van Israël over de mannelijke leden van het gezin van Jozef wordt weldra uitgesproken. Het is geen eenvoudige zegen. Het is een zegen voor drie mannen tegelijk. Maar we horen Jakob ook de Ene op drie verschillende manieren vermelden.
In de eerste plaats noemt hij de Ene El Shadday. Dat is de Ene van de aartsvaders die een schild is voor hen en hen in liefde leidt op hun levensweg. Hij laat de aartsvaders ondervinden wat het betekent om besneden van hart te zijn. Daar hoort een fijngevoeligheid bij om de ingegeven keuze niet tegen te werken hoewel ze niet behoren tot de logica van de toenmalige samenleving. Abraham verlaat zijn thuisland, Haran, om te vertrekken naar een onbekend land dat beloofd werd door de Ene. Hij laat als stamhoofd de keuze aan zijn neef Lot om de streek te bepalen waar hij wil wonen. Hij verovert de buit van de wereldmacht en geeft die terug aan de oorspronkelijke eigenaars. Hij laat zich opvolgen door zijn jongere zoon Isaak in plaats van te kiezen voor Ismaël. Ook Isaak maakt ongewild een keuze voor zijn jongere zoon Jakob. Hij bevestigd deze keuze echter als hij zijn zoon wegstuurt naar Haran om een vrouw te zoeken. Deze vaderen hebben hun schreden gericht naar El Shadday.
Vervolgens noemt hij de Ene zijn herder, die voor hem zorgt tot op de dag van vandaag. Dit beeld verwijst naar de beloften die Jakob in zijn dromen kreeg van de Ene. Hij zou begeleid worden in zijn reis naar Haran1, zijn

Gevecht van Jakob en El in Peniël

verblijf en zijn terugkeer naar Kanaän. Hij krijgt de belofte ook begeleid te worden naar Egypte en de terugkeer naar Kanaän2.
Het derde beeld van de Ene dat Jakob aanhaalt is dat van de engel van zijn persoonlijk gevecht in Peniël3. Hier krijgt de engel de Hebreeuwse omschrijving van een woord dat in verband staat met “gaal” mee en dit betekent dat het een bevrijder4 van het kwaad is, iemand die afrekent met wat niet goed is in Jakob. Dit gevecht met de engel was droomgevecht waarin Jakob tot het besef kwam dat hij een andere kijk op het leven moest krijgen om een goede aartsvader te worden. Zijn naam veranderde toen in Israël wat met betrekking op zijn persoon strijder met de Ene betekent. Dit voorzetsel staat zowel voor een innerlijke strijd van goed tegen kwaad als een strijd samen met de Ene, die iedereen het “goede leven” wenst. Het is deze engel die gevraagd wordt de jongens te zegenen. Zij moeten inderdaad nog bewijzen dat ze overtuigd zullen zijn om in de voetsporen van de Ene te lopen. Zij moeten dat innerlijk gevecht tussen de Egyptische manier van denken en deze van Israël nog voeren en de keuze maken. Dan pas horen ze bij de stam van Israël. Jakob spreekt de wens uit dat zij waardige erfgenamen zouden mogen worden van het ideeëngoed van de aartsvaders. Laat ze dan ook vruchtbaar zijn en de waarden van het verbond doorgeven aan de volgende generaties.
Strikt genomen krijgt alleen Jozef een zegen onder de noemer van twee visies op de Ene. Zijn twee zonen worden een goed en vruchtbaar leven toegewenst door Israël.


1 Genesis 28,15.
2 Genesis 46,3-4.
3 Genesis 32,29.
4 Exodus 6,6; Jesaja 59,20.

Advertenties