Israël zegent met gekruiste armen.

Israël zat nog steeds op de rand van zijn bed en had zijn kracht geput in zijn verantwoordelijkheid als aartsvader van het volk van de Ene. Hij sprak met een kordate en krachtige stem. Hij kuste en omhelsde zijn beide kleinkinderen stevig, die toch al zowat twintig waren, terwijl ze geknield dicht bij hun grootvader op zijn knieën leunden. Dit was het teken dat ze aanvaard werden als zijn eigen kinderen1. Ook bij de geboorte van de eigen kinderen worden ze op de knieën gelegd van de vader. Ze worden door de vrouw geschonken aan de vader, die ze aanvaardt. Genesis 48,12-16: 12 Toen haalde Jozef hen van zijn vaders knieën en boog met zijn gezicht tot op de grond. 13 Daarop nam Jozef met zijn rechterhand

met gekruiste armen
Efraïm vast – voor Israël was dat links – en met zijn linkerhand Manasse – voor Israël was dat rechts; zo bracht hij beiden vlakbij hem. 14 Toen strekte Israël de rechterhand uit en legde die op het hoofd van Efraïm, ofschoon hij de jongste was; en zijn linkerhand legde hij op het hoofd van Manasse, ofschoon Manasse de eerstgeborene was; hij kruiste dus zijn handen. Jozef zet zijn zonen op de goede plaats om gezegend te worden door zijn vader Israël. Het is een plechtig moment en hij buigt voor zijn vader die nu als Israël een zegen zal uitspreken over zijn zonen. Hij stemt er volledig mee in dat zijn zonen en hun nageslacht behoren tot het volk van de Ene dat ooit zal terugkeren naar het land dat hen beloofd werd. Jozef plaats dan zijn zonen zo voor zijn vader dat de oudste zoon Manasse voor de rechterhand van Israël staat en Efraïm voor de linker hand. Zo hoort het want Manasse is de oudste en hij heeft het eerstgeboorterecht en hij heeft recht op de zegen van de rechterhand. Hij liet zijn beide zonen een beetje voorover buigen zodat zijn vader Jakob gemakkelijk zijn handen op hun hoofd kon leggen. Zelf boog Jozef ook om als zoon te delen in de zegen van zijn vader. De begenadigde Jozef die een zegen was voor zijn vader en zijn volk zal uiteraard ook later door zijn vader, in de hoedanigheid van stamvader, gezegend2 worden. Ook alle zonen zullen immers de zegen krijgen.
Jakob die heel goed weet waar de zonen van Jozef staan, richt zijn rechterhand naar het hoofd van Efraïm en zijn linker naar dat van Manasse. Hij kruist bewust zijn armen. Israël weet uit de verhalen en de eigen ervaring dat de keuze van de voortzetters van het nageslacht van Abraham niet de oudste, de sterkste of de rijkste is, maar wel hij die het meest geschikt is om het verbond waar te maken. De betekenis van de naam Efraïm, dubbele vruchtbaarheid of vruchtbaarheid in het meervoud, zou in de ogen van Israël wel eens kunnen beantwoorden aan de belofte van een groot volk. Hij is de eerste aartsvader die zoveel kinderen had en die dit luik van het verbond, waaraan hij zelf kon meewerken, vond hij heel belangrijk. Dank zij de mogelijkheden van zijn vruchtbaarheid en deze van zijn vrouwen en bijvrouwen die hij van godswege kreeg, kan hij het ontstaan geven aan dertien stammen. Hoewel Efraïm in de plaats van Ruben gesteld werd, zal hij geen nieuwe aartsvader worden.

1 Genesis 30,3; Genesis 50,23.
2 Genesis 12,3.

Advertenties

Dankbaar voor Efraïm en Manasse.

De krachten van Jakob nemen af en zijn zintuigen verzwakken maar hij weet nog heel goed wat de inhoud van het verbond met de Ene is. Hij wil als verantwoordelijke stamvader voor hij sterft de schikkingen treffen om de toekomst van het volk veilig te stellen. Daarom richt hij nu zijn aandacht op zijn twee kleinzonen, de zonen van Jozef, die meegekomen zijn. Genesis 48,8-11: 8 Bij het zien van Jozefs beide zonen vroeg Israël: ‘Wie zijn dat?’ 9 Jozef zei tegen zijn vader: ‘Dat zijn de zonen die God mij hier gegeven heeft.’ Israël zei: ‘Laat ze bij me komen, ik wil hun mijn zegen geven.’ 10 Israëls ogen waren van ouderdom zo zwak geworden dat hij niet goed meer kon zien. Toen Jozef hen bij hem gebracht had, kuste en omhelsde hij hen. 11 Israël sprak tot Jozef: ‘Ik had niet verwacht dat ik je nog zou terugzien; en nu laat God mij ook nog je kinderen zien.’ Jozef liet zijn vader eerst zijn verhaal doen en drong zijn zonen niet onmiddellijk op aan zij vader. Israël beslist nu zelf zijn aartsvaderlijke zegen te geven en omdat hij minder goed ziet en soms de namen van zijn kleinkinderen door mekaar haalt, vraagt aan Jozef wie de twee zonen zijn, die meegekomen zijn. Jozef antwoordt dat dit twee zonen zijn die Elohim hem gegeven heeft. De ene om hem te troosten en de andere om hem te steunen in zijn opdracht die hij van farao kreeg1. Ook in de geboorte van zijn zonen uit een Egyptische vrouw ziet Jozef de hand van de Ene en dat weerklinkt in de naam Efraïm, die kort vertaald vruchtbaarheden betekent2. Deze naam gaf Jozef in dankbaarheid aan zijn zoon, die geboren werd in de laatste jaren van de overvloedige oogsten.
Jakob die op dit belangrijk moment weer Israël noemt laat zijn kleinzonen dichter komen om ze te zegenen. “Barak”, zegenen, staat in relatie tot de Ene en betekent hier het zegenen door de aartsvader met inzicht en bedoeling voor het leven dat ze voor zich hebben. De reden van die zegen is het openbaar bevestigen dat de zonen van Jozef zijn nakomelingen zijn en beschouwd worden als zijn eigen zonen, die hij niet gekregen had bij Rachel. Het doel is dat hun nakomelingen deel uit maken van het volk Israël, dat nu dertien stammen zal tellen. Jozef bracht ze dichter bij hem en Israël omhelsde ze en kuste ze. In zijn verre herinneringen ziet Jakob nog het beeld van zijn blinde vader, Isaak, die hem kuste en omarmde toen hij de zegen van Esau op en bedrieglijke manier had afgenomen3. Daar lezen we dat de zegen gebeurt met zijn ziel4. De aartsvaderlijke zegen was normaal voorbehouden voor de oudste zoon, die dan op zijn beurt de aartsvader van het volk wordt en erfgenaam werd van het ideeëngoed van het verbond. We hebben echter geleerd dat de oudste zoon niet steeds de meest geschikte was en dat de goddelijk geïnspireerde keuze meestal naar de mindere ging of de jongere ging.
Israël dankt El Shadday, die zelfs in uitzichtloze situaties zijn volk vergezelt. Hij is dankbaar voor het onverwacht weerzien van zijn zoon Jozef, die toch nog leeft, en voor zijn kleinzonen, die hij toen hij aankwam in Egypte erbij kreeg. Israël drukt nu onomwonden zijn geluk uit. Hij klaagt niet meer zoals hij deed voor farao maar is nu in zijn laatste levensjaren een gelukkige en dankbare aartsvader van de steeds aangroeiende stam Israël, die zij volk op een verantwoorde manier vorm kan geven.


1 zie bijdrage: Adoptie van Efraïm en Manasse.
2 Psalm 127,3.
3 Genesis 27,1 en 25-26.
4 Genesis 27,25 klinkt in Naardense Bijbel: Hij zegt: breng het mij nader, dan kan ik eten van het jachtwild van mijn zoon, zodat mijn ziel je kan zegenen! Hij brengt het hem nader en hij eet; ook komt hij tot hem met wijn en hij drinkt.

Jakob denkt aan zijn overleden vrouw Rachel.

Bij de regeling die Jakob aan het uitwerken is voor Efraïm en Manasse denkt hij terug aan vroeger. Genesis 48,7: 7 Toen ik uit Paddan-Aram terugkwam, is je moeder Rachel in Kanaän dicht bij Efrat bij mij gestorven; ik heb haar daar begraven aan de weg naar Efrat, dat nu Betlehem heet.’ Hij verklaart in het kort aan zijn kleinkinderen waarom ze hun grootmoeder nog nooit zagen1. Jozef herinnert zich ook de beelden die hij als kind had toen zijn broer Benjamin geboren werd. Zijn moeder had het heel moeilijk bij de geboorte. Benjamin werd geboren maar onmiddellijk daarna liet Rachel het leven. Hij weet nog dat hij toen op een bijzondere manier opgevangen werd door zijn vader die hem opvoedde. Bilha, de slavin van zijn moeder, bracht hem samen met zijn broer Benjamin, die vijf jaar jonger was, groot en zorgde voor de andere dagelijkse aangelegenheden.
Het verlies van Rachel liet diepe sporen na bij Jakob omdat zij de vrouw was die hij echt liefhad. Toen hij aankwam in Haran in Paddan-Aram had hij haar lieftallige verschijning van ver zien komen met haar schapen. Hij twijfelde geen moment. Zij zou zijn vrouw worden2. Zijn schoonvader besliste daar echter anders over en liet hem eerst huwen met haar zuster Lea. Hij moest opnieuw een aantal jaar werken om uiteindelijk de hand van Rachel te mogen vragen. Toen ze gehuwd waren bleven de kinderen, waar ze beiden naar verlangden, enige tijd uit. Toen ze Jozef als haar eerste kind schonk aan Jakob was er grote vreugde en haar vurigste wens was nog meer kinderen te kunnen geven aan het geslacht van Abraham3. Ondertussen was Jakob met de hele stam al een tijdje terug in Kanaän en toen werd Benjamin geboren maar die geboorte werd Rachel fataal. Jakob verkoos haar gezelschap en was aan haar zijde toen ze het leven liet. Hij heeft haar ook begraven aan de weg naar Efrat toen ze op weg waren naar vruchtbaar land met veel weiden in de nabijheid van Bethlehem om er zich tijdelijk te vestigen. Er was helaas geen mogelijkheid om haar bij te zetten nabij in de spelonk op het veld van de Makpela dat Abraham had gekocht als familiebegraafplaats in Kanaän. De warmte en de afstand hebben dat verhinderd. Maar toch is ze begraven in Kanaän en in geen ander land. Is deze randbemerking ook bedoeld voor Jozef die er moet voor zorgen dat zijn vader wel begraven wordt in Makpela en dat hij daarvoor de nodige voorzorgen moet nemen. Een andere reden van deze uitweiding van Jakob over Rachel is het verrechtvaardigen van de adoptie van de zonen van Jozef bij de bloedeigen zonen. Hij ziet zijn kleinzonen als de zonen die hij niet meer heeft kunnen hebben bij Rachel om het geslacht van Abraham te vergroten. Gezien het dubbele deel van Ruben, de eerste zoon van Lea verbeurd werd door zijn misstap met Bilha, de bijvrouw van Jakob, komt die dubbele nalatenschap open. Jozef zou dan recht hebben op het dubbele deel als eerstgeborene van Rachel. Dit zou nu kunnen verdeeld worden over zijn twee zonen. Maar Jakob maakt het eenvoudiger en stelt Efraïm en Manasse gelijk met Ruben en Simeon. Alle achterliggende bedenkingen dienen als rechtvaardiging van het verheffen van twee kleinkinderen tot stamhoofden. Niemand zal daar tegen op komen omdat iedereen Jozef dankbaar is voor de redding van de hongerdood. Boven alles zal deze regeling aanvaard worden omdat een beslissing van een aartsvader normgevend is.


1 Genesis 35,16-19.
2 Genesis 29,9-11.
3 zie bijdrage: Rachel ziet in dat vruchtbaarheid een gave is van Elohiem.

Adoptie van Efraïm en Manasse.

De twee zonen van Jozef die geboren zijn in Egypte, nog voor de zeven jaren van de hongersnood, zijn nu ongeveer twintig jaar1. Het zijn de zonen die Asnat, de dochter van de priester Potifera van On, aan Jozef geschonken heeft. Jozef had ze beiden een betekenisvolle Hebreeuwse naam gegeven. De eerste noemt Manasse en zet de steun van de Ene in tegenwicht met het gemis aan zijn familie. De naam Efraïm van zijn tweede zoon wijst in de richting van een veelvuldige vruchtbaarheid. Genesis 48,5-7:5 Jouw beide zonen die in Egypte geboren zijn, voordat ik in Egypte bij je kwam, zijn mijn zonen: Efraïm en Manasse zijn in mijn ogen gelijk aan Ruben en Simeon. 6 Maar de kinderen die je daarna gekregen hebt, blijven jouw kinderen en samen met hun broers zullen zij tot hun erfenis geroepen worden. Jakob vindt het belangrijk om die twee zonen op gelijke voet te behandelen als zijn twee oudste zonen van Lea, Ruben en Simeon. Hij noemt Efraïm als eerste en beschouwt hem op die manier als zijn eerstgeboren oudste zoon Ruben. Manasse wordt bevorderd tot zijn tweede zoon Simeon. Jakob was zeer ontgoocheld in zijn oudste zonen en had er helemaal geen moeite mee om hun erfenis te verminderen omdat ze zelf al getoond hadden dat ze niet binnen de geest van het verbond leefden. Ruben had de bijvrouw van zijn vader genomen en Simeon nam het voortouw in de afslachting van de bewoners van Sichem. Hun gedrag was niet in overeenstemming met wat je zou kunnen verwachten van een besnedene van hart. Daarom kunnen zij geen /belangrijke schakels zijn in het nageslacht van Abraham en dat maakt Jakob nu ook duidelijk.
Jakob had de twee zonen van zijn geliefde zoon Jozef weten opgroeien en had een bijzondere binding met zijn kleinkinderen zoals alle grootvaders. Hij herkende ook wellicht bij hen enkele trekken van zijn geliefde vrouw Rachel. Hij voelde aan dat deze kleinkinderen speciaal de plaats van hun vader mochten innemen als bevoorrechte erfgenamen tussen de broers van Jozef. Jozef zou in Egypte zijn belangrijke taak verder moeten zetten en zijn zonen behoren volledig aan de stam van Israël en hebben daar een rol te spelen. Zij mochten stamvader worden in de grote familie van Israël. Zij delen dubbel in de erfenis van het verbond in plaats van Ruben en Simeon. Ze zullen met hun nageslacht evenveel recht hebben om terug te keren naar Kanaän als de tijd daarvoor rijp is. Als er nog kinderen of kleinkinderen bijkomen voor Jozef zullen ook zij behoren tot de familiestam van Israël maar zij zullen geen stamvader worden. Ze zullen wel onderverdeeld worden onder de stammen van Efraïm en Manasse en zijn ook als nageslacht van Israël zoals Abraham en Isaak geroepen is door de Ene. Jakob zal een duidelijk teken moeten stellen voor alle andere leden van de familiestam omdat de zonen van Jozef geboren zijn uit een Egyptische moeder die dan nog de dochter is van een priester die dienaar is van Ra.


1 Genesis 41,50.

Regeling met Manasse en Efraïm.

Jakob voelde zijn einde naderen en had Jozef al gevraagd om hem te verzekeren dat hij in Kanaän zou begraven worden. Genesis 48,1-4: 1 Enige tijd daarna ontving Jozef het bericht: ‘Uw vader is ziek.’ Hij ging met zijn zonen Manasse en Efraïm naar hem toe. 2 En toen men Jakob zei: ‘Uw zoon Jozef is gekomen’, verzamelde Israël al zijn krachten en ging op zijn bed overeind zitten. 3 En Jakob zei tegen Jozef: ‘God de Almachtige is mij verschenen te Luz in Kanaän en heeft mij gezegend. 4 Hij heeft mij gezegd: “Ik zal u vruchtbaar maken en talrijk; een menigte volken zal Ik van u maken. Dit land zal Ik aan uw nageslacht voor eeuwig in bezit geven.” Jozef was een tijdje geleden nog bij zijn vader geweest. Zoals vaak gebeurt1 krijgen we een vage omschrijving van het tijdsverloop en ook van de manier waarop Jozef op de hoogte gesteld wordt van het ziekzijn van vader Jakob is onduidelijk. Sommige rabbijnen veronderstellen zonder enige aanwijzing in de tekst dat Efraïm zijn vader op de hoogte zou gesteld hebben omdat deze zoon van Jozef les kreeg bij Jakob over de joodse religie. Het is echter niet zo belangrijk van wie Jozef hoort dat zijn vader ziek is. Belangrijker is dat hij ongevraagd met zijn twee zonen naar hem toegaat. Manasse staat als oudste eerst vermeld,

dood van jakob,manasse,efraïm,vaag tijdsverloop,israël,groot volk,betel,goddelijk verbond,goed leven
Jakob in Betel

gevolgd door de jongste zoon, Efraïm. Men verwittigde Jakob dat zijn geliefde zoon Jozef was toegekomen en Israël gaat rechtop zitten. De schrijver gebruikt opeens weer de naam Israël. Door het gebruik van deze naam weten we dat er iets bijzonder staat te gebeuren2. Dit wordt bevestigd door het feit dat de zieke oude man, Israël, zijn krachten verzamelt en zich recht zet. Jakob begint met aan Jozef, die net binnengekomen is met zijn zonen, een belangrijke herinnering op te halen. Hij spreekt over zijn droomvisioen in Luz, het latere Betel in Kanaän3, waarin El Shadday tot hem sprak. Zoals bij vele visioen klonk de boodschap dat het volk groot zou worden doordat de Ene hem vruchtbaar zal maken. Ze zouden een menigte aan volken worden. Jakob neemt de stelling dat er koningen zouden voortkomen bij de volken niet over uit de tweede verschijning in Betel omdat dit niet van toepassing zal zijn op Jozef en zijn nageslacht. Het tweede luik van de goddelijke belofte uit het verbond, dat hier herhaald4 wordt, gaat over het land van Kanaän dat de Ene voor altijd zal geven aan zijn nageslacht. Het is belangrijk dat Jozef nog eens herinnerd wordt aan deze gebeurtenis omdat hij zelf nooit een dergelijk visioen heeft gehad, hoewel hij een grote rol vervulde in het voortbestaan van het volk van Israël. Het belang van dit goddelijk verbond, dat de inzet van mensen vergt, mag nooit onderschat worden. Elke nakomeling van Abraham moet weten wat het inhoudt besneden te zijn en moet vertrouwen dat de Ene een schild zal zijn zodat een “goed leven” zonder vrees mogelijk is5. Jakob kreeg een tweede visioen in Peniël waarbij tot het besef kwam dat hij op een andere manier moest leven om het beloofde land binnen te komen. Daar kreeg hij zijn veelzijdige naam, Israël. Het was niet alleen de naam van Jakob op zijn best maar het werd ook de naam van zijn nageslacht en van het land dat hen beloofd was. Alle elementen van het verbond zitten in die ene naam, die daarenboven ook het inzicht en de inzet van de mens weergeeft. Strijden met de Ene want de Ene is er en is een schild.

1 Genesis 15,1; Genesis 22,1; Genesis 39,7; Genesis 40,1.
2 Genesis 45,27-28.
3 Genesis 28,17 en 19; Genesis 35,9-15.
4 Genesis 17,4-10; Genesis 26,2-4; Genesis 35,9-12.
5 Genesis 15,1.