De leeftijd van Jakob en van zijn zonen.

Onlangs hoorden we nog dat Jakob honderddertig jaar was toen hij farao zegende bij zijn ontmoeting met de vorst van Egypte. Genesis 47,28-31: 28 Jakob leefde nog zeventien jaar in Egypte, zodat hij honderdzevenenveertig jaar oud werd. Toen Jakob Egypte binnen kwam was Jozef ongeveer negenendertig jaar. We weten dit omdat Jozef toen hij onderkoning benoemd werd door farao dertig jaar was1. Dan volgen zeven vette jaren en pas in het tweede jaar van de hongersnood komt de stam van Jakob naar Egypte. Jakob is dan honderddertig jaar oud2. Dit laat ons besluiten dat Jozef als oudste zoon van Rachel geboren is toen Jakob ongeveer eenennegentig was. We kunnen schatten dat Jozef ongeveer geboren is in het vijftiende jaar van het verblijf van Jakob in Paddan-Aram bij zijn oom. Zijn oudste halfbroer Ruben, die Jakob kreeg van Lea, kan geboren zijn op het achtste jaar dat Jakob bij zijn oom Laban verbleef. Ruben is dus zeven jaar ouder dan Jozef. Ruben komt dus Egypte binnen als hij zesenveertig jaar was. De drie volgende broers, zonen van Lea, verschillen telkens een jaar in leeftijd. Benjamin de tweede zoon van Rachel en de jongste zoon van Jakob was bij de oversteek naar Egypte in evenredigheid met deze schatting dan ongeveer zesentwintig jaar. Hij is dus vijf jaar jonger dan Jozef.

Nu zijn we zeventien jaar verder. Vader Jakob is er honderdzevenenveertig en Jozef is zesenvijftig jaar. Jozef heeft als geliefde zoon van Jakob vierendertig jaar dicht bij zijn vader gewoond. De eerste zeventien jaar zorgde zijn vader voor hem en de tweede periode van zeventien jaar zorgde Jozef voor zijn vader. Zohonderdertig jaar,koning egypte,rachel,jakob,jozef,paddan-aram,zeventien jaar,abraham,terugkeren naar beloofde land,berseba,volk israël heeft vader Jakob zich geen materiële zorgen hoeven te maken noch voor zichzelf noch voor heel zijn stam. Hij kan in alle rust toezien maar hij heeft ook de mogelijkheid om als ouderling heel zijn nageslacht de verhalen te vertellen van het jonge volk van Israël. De stichtende verhalen gaan over Abraham die oorlog voerde tegen de reuzen van die tijd, die overwon en de oorlogsbuit teruggaf aan wie beroofd was. Hij kon vertellen over hoe een afstammeling van Abraham in het leven staat. Hij kon aantonen dat wie niet leeft als een besneden van hart bedrogen uitkomt. Zo kon hij op zijn hoge leeftijd zijn volk, dat heel special was en als vreemden in een land woonden dat niet van hun was, vormen. Hij vertelde hen beslist dat ze ooit zullen terugkeren naar dat beloofde land. Dit was de belofte die al generaties ver bevestigd werd aan de aartsvaders en die Jakob nog eens bevestigd kreeg in Berseba net toen hij Kanaän verliet. De Ene verzekerde toen Jakob in een droom dat hij hen naar Egypte zal vergezellen en dat hij hen ook zal terugbrengen naar Kanaän. Deze belofte was geldig voor iedereen en voor heel het nageslacht van zij die Egypte waren binnengetrokken samen met Jakob. Jakob kreeg ook de belofte van een rustige oude dag want zijn geliefde zoon Jozef, die beloofd had voor hem te zorgen, zal zijn ogen sluiten3. De stam is flink aangegroeid en we mogen stilaan spreken van het volk Israël. Jakob heeft de laatste zeventien jaar geen ellende meer gekend waardoor hij het verhaal van het volk en de lessen van het leven kon doorvertellen aan zijn kleinkinderen en achterkleinkinderen en misschien ook, in de meest gunstige veronderstelling, aan zijn bedachterkleinkinderen.

 

1 Genesis 41,46.

2 Genesis 47,9.

3 Genesis 46,4.

 

Israël werd talrijk in Gosen.

In de vorige verzen ging het hoofdzakelijk over de verdeling en de betaling van het voedsel tijdens de hongersnood en over de rol die Jozef daarin speelde. Alleen de priesters kregen toelagen en behielden hun gronden en ontsnapten aan de regelingen van en na de hongersnood. Maar ook de familie van Jozef viel onder zijn wetgeving en ze moesten een vijfde van hun opbrengsten afdragen aan farao. Ook zijn mochten vier vijfden houden. Genesis 47,27: 27 Israël vestigde zich in Egypte, in Gosen. Zij kregen daar vaste bezittingen, waren vruchtbaar en werden zeer talrijk. Op het einde van dit hoofdstuk bekijken we nog eens hoe het na verloop van tijd gaat met de familie van Jozef die naar Egypte gekomen is. Binnen de nieuwe wetten over de bijdragen aan farao voelt de stam van Jakob zich beschermd en maken ze goed gebruik van de landstreek die hen toegezegd is. Ze leven als onderdanen van farao en genieten de volledige burgerrechten zoals alle Egyptenaren. Twee zaken zijn opvallend. Er wordt over Israël gesproken en over Gosen. Deze twee namen zeggen heel veel. Het gaat duidelijk niet meer over de broers van Jozef of over de zonen van Jakob maar over het een steeds groter wordend volk. Die uitbreiding wordt nog eens bevestigd doordat nu weer sprake toelagen voor priesters,israël,gosen,stam van jakob,kudden van farao,fokkers,twee vrouwen,veel vrouwelijke slaven,stamboom met namen van mannenis van Gosen en niet meer alleen van Ramses1, een zuidelijk deeltje van Gosen. De stam van Jakob is uitgezwermd en heeft zich verdeeld over het gebied van Gosen.

Ook de stam van Jakob heeft ongetwijfeld zoals alle andere inwoners, die aan landbouw deden, graan gekregen. Het belangrijkste is voor hen echter dat ze hun eigen kudden terug onder hun hoede kregen na de hongersnood. Wellicht hebben ze al die tijd onder toezicht ook de kudden van farao verzorgd. Dan zou het ook niet uitgesloten zijn dat ze, zoals Jakob in zijn jonge jaren, de beste dieren, waarover ze de zorg hadden, hebben laten paren met hun dieren. Zo maakten ze van de nood een deugd en hadden de bekwame veehoeders nog baat bij hun opvordering door farao.

Verder was er in de streek van Gosen helemaal geen contact met de bevolking van Egypte en kon de stam van Jakob zich vrijwaren van andere invloeden. De huwelijken werden gesloten binnen de stam van de Israëlieten. Er werd ook nauwlettend bijgehouden wie tot welke afstamming behoorde. In de stamboom die een overzicht geeft van wie binnenkwam in Egypte en dus leefde onder de belofte van ooit eens terug te gaan naar Kanaän, werden maar twee vrouwen bij naam genoemd. Dit waren Dina en Serach2. Er waren ongetwijfeld meer vrouwen mee die geen persoonlijke vermelding kregen zoals alle schoondochters en kleindochters van Jakob maar ook alle dienaressen die tot de clan behoorden maar geen rechtstreekse afstammeling van Jakob waren maar misschien wel familie. Voor de vrouwen was er weinig plaats in de stambomen. Ze kregen alleen een vermelding als er iets uitzonderlijk diende vermeld te worden. Maar er waren voldoende mannen en vrouwen om vruchtbaar te zijn en talrijk te worden.

 

1 Genesis 47,11.

2 Genesis 46,15 en 17.

De belastingwet van Jozef.

Jozef heeft begrepen dat de boeren weer aan de slag willen op het land dat ze al generaties ver bewerkten. Nu is dat land echter eigendom geworden van farao maar toch mogen de boeren gewoon verder doen wat ze voorheen deden. De grond bewerken, zaaien en oogsten. Genesis 47,23-26: 23 Nu zei Jozef tegen het volk: ‘Ik heb nu uzelf en uw grond voor de farao gekocht; hier is zaaigoed om het land te zaaien. 24 Van de opbrengst moet u een vijfde aan de farao afstaan; vier vijfde kunt u zelf houden als zaad voor uw akkers en als voedsel voor uzelf, uw huisgenoten en uw kinderen.’ 25 En zij zeiden: ‘U hebt ons het leven gered. Laat ons uw gunst vinden, heer, wij zullen de farao dienstbaar zijn.’ 26 Zo vaardigde Jozef de wet uit die tot op de dag van vandaag voor het akkerland van Egypte geldt, namelijk dat een vijfde voor de farao is. Alleen de grond van de priesters kwam niet in het bezit van de farao. Terwijl alle boeren nog in de steden waren waar voedsel was legt Jozef hen uit dat door zijn bemiddeling de grond en de mensen nu aan farao toebehoren. Doordat ze gered werden door farao, in wiens dienst Jozef werkt, zijn ze nu onderdanen geworden en werken ze in dienstverband. Ze krijgen nu het zaaigoed van Jozef en worden teruggestuurd naar hun akkers. Ieder naar zijn eigen grond. Uiteraard geeft Jozef ook de ossen meeboeren naar hun land,iedereen is onderdaan,zaaigoed,een vijfde van de opbrengst,opzichters,einde aan de willekeur,wet van jozef,volk tevreden zodat er weer geploegd kan worden. Voor ze vertrekken wordt de nieuwe regeling uitgelegd. Waar vroeger de inning van de staat willekeurig geregeld werd, zal elke landbouwer nu een vijfde van de opbrengst moeten afstaan aan farao. Vroeger eisten de opzichters van de farao een vijfde van de opbrengst van het hele land1 en was er een willekeur bij wie deze opbrengsten geïnd werden. De wet die Jozef nu uitvaardigt houdt, is in evenredigheid van de opbrengst. Iedereen zal nu zijn vijfde2 afdragen en de opzichters van farao kunnen dat nu gemakkelijk volgen omdat het land van faro is en ook de mensen die er op werken zijn onderdanen. Het zal meer werk zijn voor die opzichters en ze zullen nu heel precies moeten te werk gaan. Er is geen ruimte meer voor afpersing, vriendjespolitiek of omkoping en iedereen wordt gelijkmatig belast aan een eenvormig tarief.

Deze nieuwe regeling klinkt helemaal anders dan wat uit de tekst begrepen hadden. Eigenlijk verandert er niet veel behalve dat er nu van staatswege gekend is wie welke grond in bezit genomen heeft om te bewerken. Nu wordt er een duidelijke afbakening gemaakt en wordt er een evenredige verhouding bepaald in het dragen van de kosten van de staat. Dat alles is in ruil voor bestaanszekerheid en bescherming en wijst op een land dat een duidelijke organisatie krijgt. De farao behoudt het centrale gezag maar er is geen willekeur meer. Er is nu de wet die Jozef uitgevaardigd heeft.

Er heerst een algemene tevredenheid bij de mensen over Jozef die hen gered heeft van de hongerdood en die hen nu bestaanszekerheid geeft voor de toekomst. Vier vijfden van hun oogst kunnen ze behouden. En Jozef legt hen uit wat zij daarmee kunnen doen omdat ze overtuigd zouden zijn dat ze opnieuw hun vrijheid hebben om te beschikken over de vrucht van hun arbeid mits ze een bijdrage betalen aan Egypte. Als Jozef hun de gunsten waarborgt zullen ze zonder probleem farao geven wat hem toekomt. Doordat de gronden van de priesters niet aan farao behoorden vielen zij niet onder de wet van Jozef.

 

1 Genesis 41,34.

2 Twintig procent of een vijfde lijkt een zeer redelijke bijdrage aan de staat vergeleken met de gangbare belastingen van veertig tot soms zestig procent, die weer te vinden zijn in de teksten gevonden in Ugarit en Nuzi en op de zuil van Hammurabi.

Alleen de priesters zijn bevoorrecht.

Deze verschuiving in het grondbezit is eigenlijk in tegenstelling tot het scheppingsverhaal waar elke mens tot koning van de schepping gekroond werd en alle mogelijkheden kreeg van de schepper om “goed te leven”. De Schrift geeft de evolutie van de mensheid weer op een bijzondere manier. Nadat de geschapen mens leefde in een wereld waar alles voorhanden was en er geen landbouw of veeteelt nodig was, kwam er verandering. De structuur van de samenleving veranderde en de mensen bouwden aan een samenleving waar er meerdere taken waren en waar er een grote verstandhouding aangeraden was om te kunnen overleven1. De samenleving kreeg sterke leiders die de gemeenschappen konden verdedigen en ordenen. Dit liep mis toen de reuzen2 van de aarde de mensen onderdrukten. Tussen gedachtestreepjes staat in onze vertaalde Bijbeltekst dat die reuzen ook nog na de zondvloed voorkwamen. Met de aartsvaders kwamen er een nieuwe ontwikkeling. Rechtvaardigheid en solidariteit werden belangrijk. Met het verhaal van Jozef zitten we voor een groot stuk buiten de sfeer van de aartsvaders en komen we in de sfeer van farao, ook een reus. Jozef is inderdaad geen aartsvader maar wel een redder van velen in weerwil van het meedogenloos beleid van farao. Genesis 47,20-22:’ 20 Toen kocht Jozef al de grond van Egypte voor de farao op, want door de honger gedreven deden alle Egyptenaren hun landerijen van de hand. Zo kwam het hele land in het bezit van de farao, 21 en bracht Jozef ook het volk in zijn dienst, van het ene eind van Egypte tot het andere. 22 Alleen de grond van de priesters kon hij niet opkopen, want de priesters beschikten over een vaste toelage van de farao, en omdat ze konden leven van de toelage die de farao hun schonk, hoefden zij hun grond niet te verkopen. Ten koste van al de vruchtbare grond en alle vrije landbouwers kregen de Egyptenaren nog verschuiving in grondbezit,goed leven,evolutie,verandering in de samenleving,sterke leiders blijven heersen,jozef,aartsvaders,recht van gebruik en recht op vruchten,bekwame veefokkers,wegtrekken uit de steden na hongersnood,priesters van egypte werden gesteundvoor een jaar voedsel. De levensreddend maatregelen van Jozef werden handig gebruikt door farao om zijn positie te versterken. De grond die in gebruik genomen werd door de landbouwers om er op te telen was geen volledig bezit. Het was een recht van gebruik en een recht op de vruchten. Als de natuur geen vruchten gaf werd de grond ook niet gebruikt. Zo was het zeven jaar lang geweest. Toch is er een verbinding tussen de landbouwer en het land. Vruchtbaar land levert geen vruchten zonder de arbeid van de landbouwer. Ook de teelt van het vee is niet succesrijk zonder bekwame veefokkers. Nu zijn ook die beide tweespannen in dienst van farao en dat over heel Egypte dus ook in Gosen en Ramses. Geen mens was ontevreden over de maatregelen die Jozef had genomen om te voorzien in het levensonderhoud gedurende de zeven jaar van hongersnood. Nu er weer zicht op toekomst was liet Jozef de mensen wegtrekken uit de steden naar hun landerijen om het land te bewerken en om te zaaien. Zo werden de mensen weer verspreid over het hele gebied van het land maar nu in dienst van farao. De prijs van de bescherming van het volk was hun onvoorwaardelijke vrijheid.

In de structuur van Egypte was er de groep priester waarvoor een speciale regeling gold. Zij kregen een vaste steun van farao en hoefden daardoor hun grond niet te verkopen om voedsel te krijgen. Dit wijst op de uitzonderlijke en sterke positie die ze hebben in de staatsstructuur en op de aandacht die bestond voor het bovennatuurlijke. Farao wist met die geestelijken heel bedachtzaam om te gaan. Het is ook wellicht daardoor dat hij Jozef liet huwen met de dochter van een priester3. Enerzijds om de persoon van Jozef te verheffen en anderzijds om de priesters te betrekken bij zijn beleid.

 

1 Genesis 4,2.

2 Genesis 6,4.

3 Genesis 41,45.

Alles komt in het bezit van farao.

We komen eindelijk in het laatste jaar van de hongersnood en volgens de tijdsbepalingen in de verklaring van de dromen van farao zal de Nijl nu weer het normale peil halen en zal er na de oogst weer voldoende te eten zijn. De landbouwers zullen weer aan de slag mogen en denken aan zaaien op het land dat eindelijk opnieuw bevloeid werd. Maar nu ziet het er nog niet goed uit voor hen en voor alle andere bewoners van het land en de landen rond Egypte. Genesis 47,18-19: 18 Toen dat jaar om was, kwamen ze het volgend jaar opnieuw naar hem toe en zeiden: ‘Wij kunnen voor onze heer niet verbergen dat ons geld op is en dat onze veestapel in het bezit van mijn heer is overgegaan; wij kunnen onze heer alleen nog onszelf en onze grond aanbieden. 19 Moeten wij onder uw ogen doodgaan, met grond en al? Neem onszelf en onze grond in ruil voor eten; met grond en al willen wij de farao dienstbaar zijn. Geef ons zaaigoed, dan zullen wij in leven blijven en niet sterven, en zal ook de grond niet onvruchtbaar worden. Opnieuw moet iedereen bij Jozef voedsel halen omdat er nog steeds honger heerst. In het Hebreeuws staat er “sheni” dat opnieuw of een tweede keer betekent. Het is inderdaad de tweede keer dat ze komen zonder zilvergeld. Iedereen weet dat het geld op is en dat de dieren het vorig jaar ingeruild werden voor voedsel. Al het geld en al het vee was nu in handen van farao gekomen. Er rest niet veel meer over om te verkopen. Het land en hun eigen persoon is alles wat nog overblijft. In de vroegere tijden werd het land in bezit genomen door hen die het opeisten. Deze ongeschreven wet was zeker van toepassing bij de landbouwers die de grond bewerkten en beter maakten. Hun land was dit waar ze woonden en waarop ze laatste jaar hongersnood,landbouwers krijgen zaaigoed,tweede keer zonder zilvergeld,nomaden,geen vaste binding,eigen grond,vruchten telen,egypteteelden. Bij de nomaden die van hun kudden leefden was dat helemaal anders. Zij gebruikten het land over veel grotere gebieden om hun dieren te laten grazen en zwierven rond tot ze geschikte plaatsen gewonden hadden en er was geen vaste binding met een bepaald stuk land. Zij lieten de natuur zijn werk doen en keerden pas terug naar een bepaald gebied als er weer gras stond en de natuur zich hersteld had. Hoewel ze onbewust door de uitwerpselen van hun kudden meehielpen aan het herstel van het grasland bestond er geen eigendomsrecht. Ook hadden de stammen die van oudsher de streek bewoonden1 voorrang.

Ze stellen weer de vraag aan Jozef of ze nu samen met hun grond moeten sterven. Zonder hun werk op hun akkers zal de grond opnieuw geen vruchten geven en zullen ook in het jaar dat de Nijl weer buiten haar oevers komt en het land bevloeit ook geen opbrengsten zijn. De boeren bieden hun land samen met hun eigen persoon aan om ook dit laatste jaar voedsel te krijgen om de hongersnood te overleven. Ze beloven vanaf nu hun land te bewerken in dienst van farao en vragen daarom ook het zaaigoed mee aan Jozef. Ze kunnen de stad waar nog voedselvoorraden waren nu verlaten en weer naar hun akkers vertrekken. Met het zaaigoed en hoop op leven stappen ze de toekomst tegemoet naar de oevers van de Nijl, naar het land dat nu aan farao behoort. Het hele landbouwsysteem van zelfstandige boeren verandert naar een soort leenrecht in dienst van farao aan wie alles en iedereen toebehoort. Egypte wordt na die hongersnood een staat van dienaren van farao.

 

1 Genesis 13,7.