Jozef spreekt zijn laatste woorden.

Jozef voelt dat zijn leven ten einde is en spreekt tot zijn broers. Genesis 50,24-26: 24 Daarna sprak Jozef tot zijn broers: ‘Ik ga sterven, maar eens laat God zijn macht zien en leidt Hij jullie van hier naar het land dat Hij onder ede beloofd heeft aan Abraham, Isaak en Jakob.’ Het begrip broers moeten we ruim nemen want het is niet zo heel zeker dat alle stamvaders van de stammen van Israël nog leven omdat de meesten ouder zijn dan Jozef. We mogen wel aannemen dat alle stammen van Israël vertegenwoordigd zijn door hun oudste zonen, of de vertegenwoordigers of de leidende mannen per stam afhankelijk van hun organisatie binnen elke stam afzonderlijk. Jozef brengt hen op de hoogte van zijn nakende dood maar hij laat hen niet verweesd achter. ”Elohim zal jullie beslist, “paqad” bezoeken,“paqad” zegt Jozef. Bemerk het in het Hebreeuws het verdubbelde basisbegrip met twee betekenissen. “Paqad” betekent bezoeken maar ook rekening houden en meetellen. Dit legt de klemtoon op het stellige geloof van Jozef dat de stam Israël bijgestaan wordt door de Ene. Deze overtuiging heeft Jozef zijn hele leven gesterkt en bepaald. Dat liet hij ook weten aan farao en dat werd zelfs erkend door de koning van Egypte1. Jozef is bewust dat hij door de goddelijke hulp de beschermer en de weldoener van zijn broers was. Hij was de redder van heel zijn familie en iedereen die erbij hoorde. Nu hij gaat sterven, wil hij de onzekerheid over toekomst van het steeds groter

Jozef is gestorven

wordende volk van Israël wegnemen. Dit sterke vertrouwen in de Ene wil Jozef nog eens doorgeven aan de stammen van Israël en daarmee bevestigt hij de droom van Jakob in Betseba2 die de aartsvader nog eens deelde met al zijn zonen op de rand zijn sterfbed. In die laatste poëtische toespraak van vader Israël ging het over de verscheidenheid van de stammen die elk met hun eigengeaardheid een sterke eenheid zullen vormen in het beloofde land onder de leiding van Juda. Het ging over een welvarend volk dat in “shalom” zou leven. Het gaat hier dus niet alleen over de bescherming van het volk in Egypte maar ook over de terugkeer naar het land dat beloofd is aan onze voorvaderen, Abraham, Isaak3 en Jakob4. De belofte van de terugkeer van de stammen van Israël en de omstandigheden werden al uitgesproken door de Ene in een visioen van Abraham5. De reden van het lange wachten om terug te kunnen gaan, werd bij die eerste belofte al toegewezen aan de Amorieten. Deze stam bezette in de tijd van Abraham een deel van Kanaän. Abraham had zelfs een overeenkomst afgedwongen van de Amoriet van Mamre om in Kirjat-Arba6 te wonen. Later gingen ze als zeer machtig volk een groot gebied veroveren en gingen onder andere de stammen van Kanaän overheersen en zelfs uitroeien. Ze werden in een latere periode teruggedrongen door de opnieuw opkomende wereldmacht Egypte. Het uitstel van de terugkeer van de stam Israël mag dus gerust verbonden worden met de toestand van de bezetting van het beloofde land. Het land is nog niet klaar en de tijd is nog niet rijp voor de twaalf stammen van Israël. Toch kregen we al een signaal van een mogelijke Egyptische aanwezigheid ten Oosten van de Jordaan bij de beschrijving van de plaatsnaam waar de begrafenisstoet van Jakob stilhield. De naam Abel-Misraïm die later aan Atad gegeven werd door de inwoners van Kanaän kan ook verwijzen naar weide van Egypte7.

1 Genesis 41,16 en 39.
2 Genesis 46,2-4.
3 Genesis 26,3.
4 Genesis 28,13.
5 Genesis 15,13-16.
6 Hebron.
7 zie bijdrage: Zeven dagen rouw in Kanaän voor Jakob.

Advertenties

Stabiele situatie in Egypte.

Na de dood van Jakob blijft het volk van Israël in Egypte wonen. De terugkeer naar het beloofde land was nog niet in het zicht van de eerste generaties, die in het land van Gosen en in de vruchtbare streek rond Raämses1 woonden. Genesis 50,22-23: 22 Jozef bleef in Egypte wonen, samen met de familie van zijn vader, en hij werd honderdtien jaar oud. 23 Jozef zag de derde generatie van Efraïm; ook de zonen van Makir, de zoon van Manasse, werden op zijn knieën geboren. Jozef werd honderd en tien jaar. De stamboom van Jozef wordt heel oppervlakkig uitgetekend en dat geeft aan dat het levensverhaal van Jozef stilaan naar zijn einde toegaat. Als we de verhalen over Jozef samen nemen, stellen we vast dat hij bijna evenveel aandacht kreeg dan de stamvader Abraham. Toch is Jozef geen aartsvader zoals zijn voorouder Abraham van wie het verhaal uitgespreid is over zowat vijftien hoofdstukken. Het aandeel aan hoofdstukken over Isaak en Jakob samen is kleiner dan dit van Abraham en dan dit van Jozef. De hoofdstukken met hun verzen zijn echter geen basis van beoordeling want deze zijn pas om praktische redenen later2 ingevoerd. Maar die vergelijking leert ons iets over de bekendheid en de volksliefde voor bepaalde personen omdat wellicht enkel de verhalen, die aansloegen en tot de verbeelding spraken, bewaard werden en op schrift

Welvaart

gezet werden.
Jozef is nu honderd en tien jaar en dit betekent dat hij meer dan negentig jaar in Egypte woonde. Op zijn zeventiende werd hij door zijn broers meegegeven met de Midjanieten die hem als slaaf verkochten in Egypte. Het is echter pas vanaf zijn dertig dat hij als Safenat-Paneach, onderkoning van Egypte, werd aangesteld. Het tweede of derde jaar van de hongersnood liet hij zijn familie naar Egypte komen om hen te redden uit de levensbedreigende situatie waar ze in het beloofde land waren. Hij gaf ze voedsel en een stuk land om zich te vestigen in Egypte. Na zeventien jaar overlijdt zijn vader, Jakob. Jozef is dan ongeveer vijfenvijftig jaar.
Jozef was dus samen met zijn familie in Egypte gedurende ruim zeventig jaar. Als gezegende voorouder zag hij zijn kindskinderen tot in de derde generatie4 van Efraïm of liever de derde generatie aan de kant van Efraïm geboren worden. Efraïm en zijn oudere broer Manasse waren al rond de twintig toen ze de zegen kregen van Jakob. En Jozef zou dus de geboorte van Eran5 meegemaakt hebben. Dat is niet zo uitzonderlijk in een tijdsverloop van vijfenvijftig jaar. Ook de zonen van Makir, de zoon van Manasse werden op zijn knieën geboren. Deze naam is afgeleid van het werkwoord “makar” en dat betekent weg verkopen en dit verwijst naar de handel in slaven. De naam van zijn vader was Manasse en dat betekent vergeten6. Deze twee betekenissen lijken een terugkoppeling naar wat met Jozef gebeurde. De kindskinderen zijn dus afstammelingen van Jozef en worden per afzonderlijke stam genoemd omdat Jozef zelf geen stamvader wordt maar wel zijn twee zonen, die door Jakob gezegend werden7. De schrijver respecteert nu de volgorde van de zegen van Jakob.


1 zie bijdrage: Het beste deel van Egypte is Raämses.>
2 De indeling van de Bijbelboeken in hoofdstukken gebeurde om de Bijbel te bestuderen en er waren aanvankelijk verschillende indelingen. De nu gekende indeling in verzen en hoofdstukken kwamen er pas bij het drukken van de Bijbel in de 16de eeuw. 3 Genesis 41,46.
4 Psalm 128,6; Spreuken 13,22; Spreuken 17,6.
5 Numeri 26,35-36. Eran de zoon van Sutelach.
>sup>6 Zie bijdrage: De Hebreeuwse namen van de zonen van Jozef stralen dankbaarheid uit naar de Ene.
7 Genesis 48,14.

Jozef stelt zijn broers gerust op een hartelijke manier.

Jozef heeft ongetwijfeld zijn broers aangemaand om weer op te staan na hun nederige val op de grond voor hem. Het Hebreeuwse basiswerkwoord “naphal” heeft veel bijklanken zoals laten falen, mislukken en zich vernederen. Hij kijkt hen aan met een zachte blik en een zuinige glimlach, die zijn tranen betekenis geven. Nu tilt hij niet zwaar meer aan het feit dat hij als slaaf verkocht werd. Dit is verleden tijd en wrok heeft hij nooit gehad alleen kende hij blijheid omwille van het weerzien. Hij heeft zich gedurende het leven van zijn vader altijd broederlijk gedragen en ziet nu geen reden om een andere houding aan te nemen. Genesis 50,19-21: 19 Maar Jozef zei hun: ‘Wees maar niet bang: bekleed ik soms de plaats van God? 20 Jullie hebben kwaad tegen mij beraamd, maar God heeft het ten goede gekeerd, om te bereiken wat nu is gebeurd: het behoud van een talrijk volk. 21 Wees dus niet bang: ik zal voor jullie en je kleine kinderen zorgen.’ Zo stelde hij hen met hartelijke woorden gerust. Laat die angst voor mij maar achterwege. Dit heeft geen enkele zin.
Opnieuw komt de Ene ter sprake en stelt Jozef de vraag of hij dan wel de plaats van God bekleedde. Deze vraag is zodanig gesteld dat daar alleen een negatief antwoord kan op volgen. Dit staat in contrast met de goddelijk macht van Ra, die farao zich toe-eigent. Jozef weet dat hij zijn bevoorrechte positie te danken heeft aan de Ene. Hij gaat zelf verder door de liefdevolle kracht van de Ene te zien in de verandering van wat kwaad bedoeld was, goed te laten uitkomen. De Ene zorgde voor een ommekeer en liet de broers falen in hun opzet. In het denken, volgens het Hebreeuwse “chashab” in de tekst, is er tegenstelling tussen de wil van de Ene en deze van de mensen. Er is een duidelijk interpretatieverschil voor wat goed leven is.
Jozef voelt aan dat hij van de Ene de mogelijkheid kreeg om zijn volk te redden en hen de middelen te geven om groot en besneden van hart te worden zonder dat ze blootgesteld werden aan vreemde invloeden. Zo was hij van meet af aan dienstbaar voor Israël1. Zijn broers moeten nu tot hun schande ervaren dat hun wandaden en hun bedrog2 hen in een minderwaardige vreeswekkende positie brachten en dat ze dan toch moesten buigen voor Jozef. Dit is de straf die zelf gezocht hebben en verder hoeven ze niets meer te vrezen als ze maar de lessen leren en hun hart besnijden voor een goed leven in de toekomst. Sommigen verwijzen voor de wraakneming naar de Ene maar dit lijkt een foute benadering. Het is een louter menselijke opvatting dat de Ene wraak neemt voor het onrecht dat aangedaan wordt, omdat de visie op het wezen van de Ene met menselijke eigenschappen getekend wordt.
Jozef die zich dienstbaar opstelde dankt de rijke mogelijkheden, die hij nu heeft om mensen te redden, ook aan die Ene. Het is daarom dat Jozef de gewone menselijke reactie van wraak kan overstijgen. Het was deze reactie die zijn broers vreesden. Jozef laat het oordeel over aan de Ene, die weet en neemt het rechtsoordeel niet in eigen handen. Hij vindt ook dat zijn broers niet voor hem hoeven te buigen. Hij is geen God.
Jozef gelooft wel dat de vrede in het hart rijmt met het goddelijke. Hij wil geen spanningen met zijn broers en stelt hen gerust. Hij houdt het niet alleen bij woorden. Hij zal zorgen voor zijn familie maar ook voor alle kleinen, “taph”3, van de stam. Jozef zal zolang hij leeft de redder zijn van zijn familiestam. Deze zorg is niet alleen het leveren van voedsel en veiligheid, die nu verzekerd worden het centraal gezag van farao. Jozef heeft immers ook gezorgd voor een eerlijke wetgeving voor het innen van de bijdragen aan farao. De zorg van de redder Jozef gaat verder. Hij beschermt zijn volk zodat het in de beste omstandigheden groter kan worden binnen het ideeëngoed dat ze sedert generaties meedragen. Daarvoor geeft hij ook het voorbeeld door de vrede te bewaren met zijn broers en hij hoopt dat er bij zijn broers en bij de dienaars ook geen spanningen ontstaan en dat ze zich als één groot volk voorbereiden op de terugkeer naar het land dat hen beloofd is door de Ene. Jozef sprak hen hartelijk toe. In het Hebreeuws sprak hij tot hun hart.

1 Genesis 45,11 en 18-19.
2 Genesis 37,18-31.
3 zie bijdrage: De begrafenisstoet trekt naar Kanaän.

De broers buigen diep bewust van hun zonden.

Opnieuw was Jozef zeer ontroerd toen hij zijn broers zijn gratie afsmeekten. De relatie met zijn broers en zijn vader zijn hem zeer dierbaar en beroeren hem vaak emotioneel. Hij zegt nooit aan zijn broers en zijn vader dat hij van hen houdt en dat hij wenst de ze “shalom” zijn maar hij laat wel zijn gevoelens blijken met zijn tranen. Soms zijn het tranen van verdriet en ontgoocheling maar ook soms van blijdschap. De tranen zijn een teken van het fijnbesnaarde en besneden hart van Jozef. Genesis 50,17b-18:’ 7b Toen zij zo tot hem spraken, barstte Jozef in tranen uit. 18 Toen kwamen zijn broers zelf, wierpen zich voor hem neer en zeiden: ‘Beschik over ons, wij zijn uw slaven.’ De gezonden broers begrepen uit de tranen dat Jozef hen als hooggeplaatste Egyptenaar maar vooral als broer gratie schonk. De andere broers werden op de hoogte gesteld en zij kwamen met zijn allen en wierpen zich neer. In het beeld van de dromen van Jozef als jongeling bogen alle schoven en de elf sterren voor hem1. Opnieuw2 buigen de broers voor Jozef. Dit is iets wat ze vroeger zeker niet gewenst hadden. Ze zouden nooit buigen voor hem en daarom zorgden ze dat hij verdween.

Nederige broers van Jozef

De broers betuigen aan Jozef hun onderdanigheid. Nu ze zichzelf ook ter beschikking stellen als slaven zien ze hem als onderkoning want het werken als slaven zijn ze eigenlijk verschuldigd aan de koning. Zoals alle Egyptenaren werken ze nu voor farao en zijn ze verplicht een vijfde van hun opbrengsten af te dragen aan de machtige man van Egypte die in ruil voedselzekerheid en bescherming geeft. Het is nu wel de eerste keer dat heel het volk Israël zich onderwerpt als slaaf van een andere macht. Het klinkt natuurlijk niet zo hard als ze deze onderwerping bevestigen aan hun broer Jozef. Het begrip “ebed”, dat hier gebruikt wordt, heeft te maken met een opgelegde en afgedwongen verplichting of een vrijwillige een binding. Farao heeft de onderdanigheid afgedwongen door de voedselhulp. Voor dienaars van God wordt hetzelfde medeklinkerbegrip een paar vezen vroeger gebruikt maar dit wijst dan naar de keuze voor het verbond van de Ene met zijn volk. Dienaars klinkt anders dan dienstknechten of slaven. Een andere invalshoek van de bereidwilligheid om slaaf te worden van Jozef is het feit dat de broers hem verkochten als slaaf en dat ze nu het zelfde lot willen ondergaan in dienst van Jozef.
Na deze passage kunnen we de tranen van Jozef begrijpen als een ontgoocheling. Hoe is het mogelijk dat zijn broers nog twijfelen aan zijn bedoelingen. Hij had er toch alles aan gedaan om zijn familie te redden en een bijzondere plaats te geven in Egypte. Hij heeft verhinderd dat zijn hovelingen een lage dunk zouden hebben van zijn broers. Zij werden gewaardeerd als een zegen voor Egypte net zoals Jozef een zegen was door zijn dienstbaarheid. Dit werd duidelijk door de ruime delegatie van oudsten die meetrokken in de begrafenisstoet van de stamvader Jakob. Hij had zijn broers bevoordeeld door de betaling in zilver voor hun graan terug in de zakken te laten stoppen. Zo hadden ze nog geld in reserve voor de volgende jaren van hongersnood. Hij had zijn familie zich laten aanprijzen bij farao als herders en veehoeders zodat ze een ongestoord verblijf kenden in Gosen. Alle voorwaarden waren vervuld om een groot volk te worden met een eigen identiteit.


1 Genesis 37,7 en 9.
2 Genesis 42,6; Genesis 43,26; Genesis 44,14.

Nog een wens van Jakob.

De angst bij de broers veroorzaakt uit vrees voor wraak van Jozef voor de wandaden, die ze met hem pleegden, komt weer naar boven nu hun vader niet meer kan optreden als bemiddelaar. Deze angst had al verschillende vormen aangenomen en veroorzaakte spanningen1. Israël had nochtans een toekomst getekend waar alle stammen, alle nakomelingen van zijn zonen, elk volgens hun aard bijdragen aan een samenleving in een groot verbond. Genesis 50,16-17a: 16 Daarom stuurden zij de volgende boodschap naar Jozef: ‘Uw vader heeft voor zijn dood het bevel gegeven: 17a Dit moeten jullie Jozef zeggen: “Ik smeek je, vergeef toch de misdaad en de zonde die je broers tegen je bedreven hebben, want zij hebben jou kwaad aangedaan. Vergeef dus de dienaren van de God van je vader hun misdaad.” De broers stuurden een boodschap naar Jozef. Het Hebreeuwse werkwoord “tsavah” zou naast het sturen van een boodschapper ook het maken van een bemerking kunnen

Broers betonen spijt

zijn, alles op een rijtje zetten. Gezien de zeer persoonlijke aard van de inhoud van die boodschap zijn er beslist een of enkele broers uit Gosen naar het paleis van Jozef in On gekomen om het een en ander met hun broer te bespreken. Zij vragen in de eerste plaats persoonlijk vergiffenis aan Jozef. Zij beseffen volledig dat hun welzijn in Egypte van Jozef afhangt en van farao. Ze vragen vergiffenis niet alleen om er voordeel uit te halen maar ook omdat ze het besef hebben dat er tussen broers geen eenheid kan blijven bestaan als er onvrede is of als er geschillen zijn. Dit moet uitgepraat worden.
Of die vergiffeniskwestie nu een duidelijk bevel was van Jakob, weten we niet. We lezen daar immers niets over in de Schrift. Het is echter niet ondenkbeeldig dat Israël zijn zonen aangespoord heeft om vergiffenis te vragen aan Jozef en op die manier gratie te krijgen van Jozef. Zonder twijfel heeft hij de verhalen van de broers gehoord over het gevangen zetten en de verkoop van Jozef als slaaf want de stelling dat hij opgepeuzeld werd door een wild dier was niet meer vol te houden. Een verklaring drong zich op. Na de eerste grote vreugde van het terugzien van zijn levende zoon Jozef en na de plichtplegingen bij farao, zal er wellicht op vraag van vader Jakob tijdens een gezamenlijke maaltijd gepraat zijn over hoe alles precies in zijn werk was gegaan. Eigenlijk hadden de zonen voor ze vertrokken al moeten toegeven dat Jozef nog in leven was. Dit wisten ze nadat hij als onderkoning Safenat-Paneach van Egypte hen toevertrouwde dat hij hun broer Jozef was. Het vragen van vergiffenis zal beslist aangeraden zijn door de aartsvader want dit ligt in de lijn van het samenhouden van de zonen van Israël. De formulering die de broers gebruiken, laat vermoeden dat deze vraag van Jakob evenredig is aan zijn zegewensen voor alle zonen maar ze zetten in strijd met de logische gang de gratie voor de vraag naar vergiffenis.
De broers van Jozef noemen zich niet alleen zonen van vader Jakob maar ook dienaren van God. Dit is hun algemene noemer want als zonen van Israël zijn ze dienaren van de Ene. Deze uitspraak verenigt de zonen van Jakob ook op een hoger niveau. Dit gevoel van een andere dimensie hadden de broers al en dit blijkt uit de vrees voor een straf van de Ene voor doodslag omdat ze door hun boosheid het gelaat afwenden van het licht van de Ene die barmhartig is. Ze waren toen niet besneden van hart. Nu wandelen ze in het licht van de Ene steunend op hun levenservaringen en op de zending van hun vader Israël.


1 Genesis 42,28; Genesis 44,16; Genesis 45,3.