Zebulon en Issakar krijgen ook hun plaats in het toekomstige Israël.

Israël loopt het lijstje verder af van al zijn zonen en droomt veder over hun toekomst. Hij schets de toekomst van hun nageslacht aan de hand van de karaktertrekken van zijn zonen die de voorvaders zijn van de stammen van Israël. Genesis 49,13-15: 13 Zebulon woont aan de zeekant, hij woont aan het strand bij de schepen, zijn flank leunt tegen Sidon. 14 Issakar is een bonkige ezel, die tussen zijn lasten ligt. 15 Hij ziet hoe heerlijk de rust is en hoe lieftallig het land; hij buigt zijn schouders om lasten te dragen en wordt een slaaf die werkt onder dwang. Over Zebulon en Issakar hebben we niet erg veel gelezen in de vorige hoofdstukken. We weten dat Zebulon de zesde zoon is van Jakob bij Lea en Issakar de vijfde. Het is eigenaardig dat Jakob zijn zesde zoon bij Lea voor zijn vijfde zoon aanspreekt. Daarbij weten we dat Zebulon op het moment van zijn geboorte ook nog vier halfbroers heeft die ouder zijn dan hij. Dat zijn Dan en Naftali die Jakob had bij Bilha, de slavin van Rachel, en Gad en Aser van de slavin van Lea die Zilpa noemde. Buiten de naam, die hij van zijn moeder kreeg bij zijn geboorte, worden alleen maar stamboomgegevens prijsgegeven van Zebulon. Hij wordt geschetst als zoon van Lea en als vader van Sered, Elon en Jachleel1. Omdat de namen in die oude mythische verhalen meestal betekenis hebben kijken we naar de betekenis van Zebulon. Dit betekent woonplaats of verblijf. Dit is ook de enige omschrijving die Jakob ons geeft voor de toekomst van deze stam. De toekomstige stam Zebulon zal aan de zeekant wonen. Het woord “yammim” is eigenlijk het

Aan de zee

meervoud van zee. Dit meervoud kan staan voor de grote zee, de Middellandse Zee maar zou ook kunnen verwijzen dat ze aan het meer van Genezareth2 wonen en dicht bij de Middellandse zee contact houden met Sidon. In het Hebreeuwse rijm wordt die omschrijving nog eens herhaald. Hij woont aan het strand waar je de schepen ziet en hij woont dicht bij Sidon. Deze omschrijving geeft aan dat de stam van Zebulon hoogst waarschijnlijk handel dreef met de Fenicische steden. De Feniciërs waren een zeemogendheid die de Middellandse zee beheerste en die zich had toegespitst op het transport van goederen over zee. De stam van Zebulon zal daardoor veel belangrijker3 zijn dan deze van Issakar en wordt daarom als eerste van de twee laatste zonen van Lea genoemd.
Over zijn vijfde zoon bij Lea, die voor Zebulon geboren wordt, geeft Jakob ons iets meer te vertellen. Issakar betekent dat de Ene beloont. Uit wat Israël vertelt kunnen we uitmaken dat Issakar een robuuste en sterke kerel is die heel wat werk kan verzetten. Hij wordt vergeleken met een ezel en dat is het lastdier bij uitstrek voor de stam van Jakob. In de toekomst zal zijn werk zeer lonend zijn en zal hij in alle rust en vrede rijke vruchten dragen van zijn arbeid omdat het land in Kanaän zo vruchtbaar is. Toch lijkt het erop dat de nakomelingen van Issakar hard en onder druk zullen werken als slaven. Als we de betekenis van de namen van de zonen Issakar nog eens erbij nemen, kunnen we vermoeden dat deze stam harde tijden heeft gekend in Egypte. De naam Sered wijst op vrees en angst. Zij worden op de een of andere manier bedreigd. Elon doet denken aan eik en dit heeft wellicht te maken met hun stevige lichaamsbouw. Jachleel betekent wachtend of hopend op God wellicht om hen uit de verdrukking te halen. Misschien is het rusten tussen de twee lasten bedoeld om de last van Egypte en deze van het werk in Kanaän aan te tonen. Vandaar dat ze als zeer verzwakte en uitgeputte stam zullen terugkeren naar Kanaän en niet erg invloedrijk zullen zijn in het overleg tussen de stammen van de zonen van Israël. Toch worden ze met rust en vrede beloond voor hun arbeid eens ze in het beloofde land teruggekomen zijn.

1 Genesis 35,23 en 46,14.
2 soms de zee van Tiberias genoemd.
3 Deuteronomium 33,19.

Advertenties

Beelden van een vredig bestaan in shalom.

De idee dat “Silo”, de leidraad, vrede en voorspoed brengt voor het volk van Israël en voor het leiderschap van Juda wordt verder op een poëtische manier uitgewerkt door Israël in zijn toekomstvisie voor zijn nageslacht. Genesis 49,11-12: 11 Aan de wijnstok bindt hij zijn ezelin, aan de wingerd zijn edele volbloed; hij wast zijn gewaad in de wijn, zijn mantel in het bloed van de druiven. 12 Zijn ogen zijn donkerder dan wijn, zijn tanden witter dan melk. Israël vooronderstelt een grote welvaart voor het volk onder leiding van Juda. In gedachtenrijmen met zelfs schokkende beelden tekent hij de overdadige overvloed dat het volk van Israël te wachten staat. Hij laat de mensen, die op verplaatsing zijn, hun ezels vastmaken aan de wijnstokken. Dit is een ongehoord gebrek aan respect voor de druivelaar, de edele drager van druiven. Israël wil niemand choqueren maar gebruikt dit beeld om te tonen dat de wijnstokken heel sterk zijn en dat er zoveel zijn dat ze gebruikt worden waarvoor ze zeker niet bedoeld zijn. Het kan dan ook niet anders dan dat de bodem in het beloofde land zeer geschikt is voor de druiventeelt. Dit is te zien aan de vele en stevige wijnstokken. Dit beeld van het land waar vrede heerst en waar er overvloed is aan vruchten van de natuur staat in tegenstelling tot hun situatie in Gosen waar er met moeite wijngaarden te vinden zijn en waar de ranken klein zijn en beschermd moeten worden tegen de dieren. In het beloofde land mogen de ezels zich zelfs tegoed doen aan de

Wijnranken

druiventrossen. Er is voldoende. Het beeld wordt nog eens herhaal in het Hebreeuwse rijm. Aan de “soreq”1, de druivelaars die uitgelezen rode wijn leveren van hun druiven, maakt hij zijn ezeljong vast. Niet alleen de kwaliteit maar ook de omvang van de wijnteelt in Kanaän prijst de aartsvader.
Israël gaat nog verder in zijn beeldspraak om aan te tonen dat er wijn in overvloed is in die streek. Hij laat in zijn overdrijvingen uitschemeren dat er meer wijn is dan water. Met een Hebreeuws rijm verbeeldt hij dat de gewaden in de wijn gewassen worden. De wijn noemt hij de tweede keer het bloed van de druiven2 en het gewaad wordt nu de mantel. Het gaat dus onmiskenbaar over rode wijn die vergeleken wordt met bloed. Het woordgebruik van gewaden, mantel en het veulen van een ezelin3 als vervoersmiddel wijst op de koninklijke status van het geslacht Juda.
De overdaad aan wijn maakt de ogen “chaklili” en dat kan rood betekenen maar ook blinkend. De tanden zijn wit door de melk. Als we hier het rijm van de gedachte doortrekken mogen we denken aan overmatig wijngebruik. De kleur van de wijn gaat naar de ogen4 en ze worden rood en deze van de melk naar de tanden, die wit worden. Hiermee wordt nog eens de nadruk gelegd op de rijke gaven van de natuur. Er zijn wijngaarden en er is veel grasland voor het vee. Het volk zal niets tekort komen en iedereen zal in vrede en rust, in shalom, kunnen leven in het beloofde land waar ze door de Ene naartoe zullen begeleid worden. Deze vergelijkingen laten ons ook toe te zien dat er nog inspanningen nodig zijn om zo van de natuur te kunnen genieten. De druif moet geoogst en geperst worden en de het vee moet naar de weiden geleid worden en moet gemolken worden. Het werk zal echter lichter wegen dan hier in Gosen.


1 De streek van Soreq ligt in Judea op de westelijke hellingen van de heuvels en is een ideale ligging voor de druiventeelt. De wijn uit deze streek noemt dan ook Soreq-wijn en deze is nog steeds hoog aangeschreven. In de steek zijn ook de beschermde Soreq-grotten.
2 Deuteronomium 32,14.
3 Zacharia 9,9.
4 Spreuken 23,29-35.

Totdat zal komen: ‘Sjilov’.

Israël voorziet dat het leiderschap van Juda zal blijven duren. Maar toch wordt er nu een eindpunt aangehaald door Israël. Na Juda komt een leider onder wiens leiding ook Juda zal vallen. Bij deze tekst worden heel wat veronderstellingen naar voor geschoven. Veel daarvan verraden de achtergrond van de beoordelaren en worden ingeschreven in de bewijsvoeringen waarmee ze hun ideeën willen benadrukken. Zo worden bijvoorbeeld breedvoerige studies geschreven over de Messias die de Christus is. In deze voorspoedige tijd met grootste vooruitzichten voor het volk van Israël is er echter geen nood aan een Messias, een redder, en leeft die gedachte ook helemaal niet. Jozef was de redder geweest die voedsel bezorgde maar die ook enkele gedragspatronen voorhield door hen te laten beseffen dat broederlijkheid levengevend is. Nu is het aartsvader Israël die zijn volk herinnert aan de lessen van het verleden door de slechte daden van zijn zonen af te keuren en de goede te belonen. Als we niet ingaan op de messiasgedachte bestaan er nog heel wat andere visies over dat stukje tekst. Dit weerspiegelt zich in de verschillende vertalingen. De visie1 die een afwijking in de Hebreeuwse tekst veronderstelt, laten we eveneens buiten beschouwen.
Silo kan de naam van de plaats zijn waar de stammen samenkwamen nadat ze Kanaän binnengetrokken waren. Ze offerden er in de tent voor de Ene2 en na de verkenning van het beloofde land werd het grondgebied over de stammen van Israël verdeeld.

Tent van het verbond

Dit zou een mooie gedachte zijn om dit als vredig eindpunt van het gezag van de stam van Juda te schetsen. Maar dit kan niet omdat Juda nog de macht niet heeft van een grondgebied in Kanaän op dat ogenblik. Silo blijft lange tijd een heiligdom van Israël en bevindt zich in het gebied van Efraïm. Silo verliest echter stilaan zijn status als er zicht komt op de tempel van Jeruzalem3. Mogelijks zit hier een machtsstrijd achter tussen de stam van Efraïm en deze van Juda en hun achterban, die bestaat uit de andere stammen van Israël. Dit zal wellicht de reden zijn van de latere opsplitsing van het koninkrijk van Israël in twee delen. Maar ook dan nog blijft er in Juda een koning, zij het van een kleiner rijk.
Silo kan blijkbaar ook een persoon, “Shiloh” in het Hebreeuws want hij zal verschijnen. Wie dat kan zijn is niet erg duidelijk. Misschien wijzen de andere verklaringen ons de weg. Het feit dat Shiloh met een hoofdletter geschreven staat is toe te schrijven aan de vertalers want het Hebreeuws kent geen hoofdletters.
Anderzijds kan “Shiloh” ook een begrip zijn, een toestand, die kan bereikt worden. Afgeleid van het werkwoord “shalah” dat betekent wees gelukkig, voorspoedig, en wees in veiligheid, zien we een vredevolle sfeer, die in het vooruitzicht gesteld wordt door Israël. Dat is wat toegewenst wordt met de wens van “shalom”. Deze wens of toestand hebben we al vaker4 gelezen in de voorbij teksten. Deze wens wordt ook in verband gebracht met de Ene als Jozef de verklaringen van de dromen van farao aan de Ene dankt, die wenst wat goed is voor farao5.
Het woord “yiqhah” is letterlijk de gehoorzaamheid van de “amim”, van de volken. Tot alle volken zich goed voelen in de “shalom”. Tot heel de wereld in vrede leeft en zich onderwerpt aan de levenswijze van de besnedenen van hart die hun schreden richten naar de Ene. Is het altaar in de tent van Silo de plaats waar alles samenkomt? Alle stammen van Israël gaan naar de tent van samenkomst2 waar de Ene zich kenbaar maakt6 en daardoor shalom brengt. De Ene is vrede7. Plaats, persoon en begrip komen samen als brengers van heil.

1 Joodse commentator Marcus Kalisch (1828-1885).
2 Jozua 18,1.
3 1 Samuel 2,12-16; Psalm 78,60 en 67-68.
Genesis 15,15; Genesis 26,29 en 31; Genesis 34,14.
Genesis 41,16.
6 1 Samuël 3,21.
7 Rechters 6,24.

Juda is als een leeuw.

Israël gaat verder met zijn poëtisch vergezicht waar hij het verleden vervat in het toekomstbeeld voor zijn zoon Juda. Zijn bedoeling is alle broers te verenigen onder de leiding van Juda. Zoals de vroegere koning bij de andere volken zich moesten bewijzen door een wild dier te overwinnen, tekent Jakob een beeld van zijn zoon Juda dat respect en ontzag moet afdwingen. Genesis 49,9-10: 9 Juda is een jonge leeuw; met roof ben je groot geworden, mijn zoon! Hij vlijt zich neer, hij ligt als een leeuw, als de koning van de dieren; wie waagt het hem te wekken? 10 Van Juda zal de scepter niet wijken, de staf zal niet verdwijnen tussen zijn voeten, totdat hij verschijnt die hem leiden mag; hem zijn de volken gehoorzaam. Een jonge leeuw die al groot en sterk is geworden, wordt het beeld dat Israël gebruikt om Juda voor te stellen als een sterke leider. Leeuwen

Juda, de leeuw

leven in families en in groepsverband. Hun manier van jagen is opmerkelijk. Het mannetjesdier jaagt de prooi op me zijn gebrul en de vrouwtjes, die zich in hinderlagen verschuilen, proberen in groep het opgejaagde wild te doden. Het mannetje is de meester van de prooi en hij laat heel de leeuwenfamilie toe zich tegoed te doen aan de vangst. Voldaan geniet de leeuw dan van de rust in zijn afgebakend gebied waar hij heer en meester is. Deze vergelijking met de dierenwereld is zeer zorgvuldig gekozen en past precies bij wat Israël wil vertellen aan zijn zonen. Dit beeld van de leeuw is zo treffend dat het de geschiedenis zal ingaan als symbool voor het volk van Juda, de Judeeërs. Nu nog is de leeuw te zien in het schild van Jeruzalem. Het gedachtenrijm geeft ons een herhaling maar nu met de beelden die bij een menselijke leider passen.
Het teken van het leiderschap, de scepter, zal bij Juda blijven en dus ook het leiderschap van het volk van Israël. Het Hebreeuwse woord “shebet” dat hier vertaald is door scepter, betekent echter ook stam, ondergeschikte maar ook aftakking. Deze aftakking kan een stok of staf zijn als aftakking van een boom maar ook afstammeling. Opnieuw is het moeilijk om een keuze te maken omdat veel van die vertalingen hier betekenisvol kunnen zijn. Staf is een zeer aanvaardbare vertaling temeer omdat de uitdrukking “shebet”, terugkomt in het Hebreeuws gedachtenrijm. Nu is het de staf tussen de voeten en dit kan ook weer op verschillende manieren begrepen worden. De staf tussen de voeten klinkt nu “chaqaq” in het Hebreeuws. Dit woord houdt dan eerder verband met het uitvaardigen van wetten en decreten omdat het ook inkerven of voorschrijven betekent. Het leiderschap heeft ook de inhoud van het rechtspreken. Juda was in zijn eigen stam in Kanaän ook leider en rechter1. Sommigen denken dat het beeld van de staf tussen de voeten erop wijst dat het leiderschap zal doorgegeven worden aan zijn nageslacht. Maar dan krijgen we een zinsdeel waarover veel meningsverschillen bestaan. Dat weerspiegelt zich ook in de vertalingen.


1 Genesis 38,24.

De bewezen kwaliteiten van Juda.

We kennen Juda uit verschillende verhalen. De eerste keer dat Juda optrad was toen hij het advies gaf aan zijn broers Jozef niet te vermoorden1. Dan wordt een volledig hoofdstuk2 gewijd aan Juda dat vertelt over hoe zijn eerste zonen bij Sua, zijn Kananitische vrouw, het huwelijk met Tamar, die door Juda als vrouw voorgesteld werd voor zijn zonen, niet wilden voltrekken. Bij een slippertje onderweg was hij niet bewust dat hij zelf kinderen verwekt had bij dezelfde Tamar, die wellicht van Hebreeuwse oorsprong is omdat ze ook een Hebreeuwse naam draagt. Hij wordt op die manier vader van de tweeling, Peres en Zerach. Deze ervaringen in zijn leven hebben Juda geleerd dat een huwelijk met een vrouw die niet behoort tot de Hebreeuwse stam geen goede vruchten draagt. Hij leerde ook dat een mens niet zelf beslist over alle situaties en dat

Juda onderhandelt
de zwakheden van een mens door de Ene toch ten goede kunnen gebracht worden als men niet arrogant blijft vasthouden aan het eigen gelijk.
De volgende verhalen gaan over hun tweede tocht naar Egypte om voedsel op te halen. Juda drong aan op het afhalen van het graan en stelde zich daarom garant voor de behouden thuiskomst van zijn broer Benjamin3. In Egypte was hij dan de woordvoerder van zijn broers bij de onderhandelingen met de onderkoning Jozef4. Ruben had zijn vader ontgoocheld door met Bilha het bed te delen en had in latere dagen gefaald in de zorg voor Jozef, de geliefde zoon van Jakob. Hij bleek een onstandvastige man te zijn, gedreven door zijn driften, die ook nog eens geen verantwoordelijkheid kan dragen en werd daarom afgewezen om de leiding te nemen van zijn broers. Om de stam samen te houden was er na de dood van Jakob een sterke leider nodig die in staat was op te komen voor zijn broers en hun families. De broers Simeon en Levi waren ook niet geschikt om het volk van het verbond te leiden. Zij waren onbetrouwbaar, spanden samen en gebruikten geweld binnen en buiten de familiestam om macht te veroveren. De drie oudste zonen van Jakob kwamen door hun slechte faam dus niet in aanmerking om alle stammen van Israël te vertegenwoordigen. Juda is daarom ondertussen de vertrouwenspersoon van zijn vader geworden. Dit werd stilaan duidelijk van toen Jakob de zorg voor zijn zoon Benjamin durfde toe te vertrouwen aan hem. Eens als de stam in Egypte is toegekomen is het ook Juda die naar Jozef gestuurd wordt om de hele stam aan te melden en Jozef op de hoogte te stellen dat de stam al in Gosen was aangekomen. Jakob maakt al onmiddellijk duidelijk dat Juda de leider van de stam zal worden. Dit is de eerste keer dat de zending van de aartsvader gebeurt met de opdracht de andere stammen te leiden. De tijd van de aartsvaders met de kleine gezinnen is voorbij. Nu wordt er geen selectie meer gemaakt van wie al dan niet beantwoordt aan het profiel om aartsvader te worden. Door hun verblijf in Egypte is de stam zich als zelfstandige eenheid gaan gedagen. Ze leefden los van alle invloeden in de streek van Gosen en hadden hun lot met elkaar verbonden. Ze waren bewust dat ze een afzonderlijk volk waren in een vreemd land. Dit zorgt ervoor dat alle broers samen zullen blijven en een groot volk worden. Dit was ook voorzien in het verbond van de Ene.


1 Genesis 37,26.
3 Genesis 38.
3 Genesis 43,3 en 8.
4 Genesis 44,18.