Adoptie van Efraïm en Manasse.

De twee zonen van Jozef die geboren zijn in Egypte, nog voor de zeven jaren van de hongersnood, zijn nu ongeveer twintig jaar1. Het zijn de zonen die Asnat, de dochter van de priester Potifera van On, aan Jozef geschonken heeft. Jozef had ze beiden een betekenisvolle Hebreeuwse naam gegeven. De eerste noemt Manasse en zet de steun van de Ene in tegenwicht met het gemis aan zijn familie. De naam Efraïm van zijn tweede zoon wijst in de richting van een veelvuldige vruchtbaarheid. Genesis 48,5-7:5 Jouw beide zonen die in Egypte geboren zijn, voordat ik in Egypte bij je kwam, zijn mijn zonen: Efraïm en Manasse zijn in mijn ogen gelijk aan Ruben en Simeon. 6 Maar de kinderen die je daarna gekregen hebt, blijven jouw kinderen en samen met hun broers zullen zij tot hun erfenis geroepen worden. Jakob vindt het belangrijk om die twee zonen op gelijke voet te behandelen als zijn twee oudste zonen van Lea, Ruben en Simeon. Hij noemt Efraïm als eerste en beschouwt hem op die manier als zijn eerstgeboren oudste zoon Ruben. Manasse wordt bevorderd tot zijn tweede zoon Simeon. Jakob was zeer ontgoocheld in zijn oudste zonen en had er helemaal geen moeite mee om hun erfenis te verminderen omdat ze zelf al getoond hadden dat ze niet binnen de geest van het verbond leefden. Ruben had de bijvrouw van zijn vader genomen en Simeon nam het voortouw in de afslachting van de bewoners van Sichem. Hun gedrag was niet in overeenstemming met wat je zou kunnen verwachten van een besnedene van hart. Daarom kunnen zij geen /belangrijke schakels zijn in het nageslacht van Abraham en dat maakt Jakob nu ook duidelijk.
Jakob had de twee zonen van zijn geliefde zoon Jozef weten opgroeien en had een bijzondere binding met zijn kleinkinderen zoals alle grootvaders. Hij herkende ook wellicht bij hen enkele trekken van zijn geliefde vrouw Rachel. Hij voelde aan dat deze kleinkinderen speciaal de plaats van hun vader mochten innemen als bevoorrechte erfgenamen tussen de broers van Jozef. Jozef zou in Egypte zijn belangrijke taak verder moeten zetten en zijn zonen behoren volledig aan de stam van Israël en hebben daar een rol te spelen. Zij mochten stamvader worden in de grote familie van Israël. Zij delen dubbel in de erfenis van het verbond in plaats van Ruben en Simeon. Ze zullen met hun nageslacht evenveel recht hebben om terug te keren naar Kanaän als de tijd daarvoor rijp is. Als er nog kinderen of kleinkinderen bijkomen voor Jozef zullen ook zij behoren tot de familiestam van Israël maar zij zullen geen stamvader worden. Ze zullen wel onderverdeeld worden onder de stammen van Efraïm en Manasse en zijn ook als nageslacht van Israël zoals Abraham en Isaak geroepen is door de Ene. Jakob zal een duidelijk teken moeten stellen voor alle andere leden van de familiestam omdat de zonen van Jozef geboren zijn uit een Egyptische moeder die dan nog de dochter is van een priester die dienaar is van Ra.


1 Genesis 41,50.

Regeling met Manasse en Efraïm.

Jakob voelde zijn einde naderen en had Jozef al gevraagd om hem te verzekeren dat hij in Kanaän zou begraven worden. Genesis 48,1-4: 1 Enige tijd daarna ontving Jozef het bericht: ‘Uw vader is ziek.’ Hij ging met zijn zonen Manasse en Efraïm naar hem toe. 2 En toen men Jakob zei: ‘Uw zoon Jozef is gekomen’, verzamelde Israël al zijn krachten en ging op zijn bed overeind zitten. 3 En Jakob zei tegen Jozef: ‘God de Almachtige is mij verschenen te Luz in Kanaän en heeft mij gezegend. 4 Hij heeft mij gezegd: “Ik zal u vruchtbaar maken en talrijk; een menigte volken zal Ik van u maken. Dit land zal Ik aan uw nageslacht voor eeuwig in bezit geven.” Jozef was een tijdje geleden nog bij zijn vader geweest. Zoals vaak gebeurt1 krijgen we een vage omschrijving van het tijdsverloop en ook van de manier waarop Jozef op de hoogte gesteld wordt van het ziekzijn van vader Jakob is onduidelijk. Sommige rabbijnen veronderstellen zonder enige aanwijzing in de tekst dat Efraïm zijn vader op de hoogte zou gesteld hebben omdat deze zoon van Jozef les kreeg bij Jakob over de joodse religie. Het is echter niet zo belangrijk van wie Jozef hoort dat zijn vader ziek is. Belangrijker is dat hij ongevraagd met zijn twee zonen naar hem toegaat. Manasse staat als oudste eerst vermeld,

dood van jakob,manasse,efraïm,vaag tijdsverloop,israël,groot volk,betel,goddelijk verbond,goed leven
Jakob in Betel

gevolgd door de jongste zoon, Efraïm. Men verwittigde Jakob dat zijn geliefde zoon Jozef was toegekomen en Israël gaat rechtop zitten. De schrijver gebruikt opeens weer de naam Israël. Door het gebruik van deze naam weten we dat er iets bijzonder staat te gebeuren2. Dit wordt bevestigd door het feit dat de zieke oude man, Israël, zijn krachten verzamelt en zich recht zet. Jakob begint met aan Jozef, die net binnengekomen is met zijn zonen, een belangrijke herinnering op te halen. Hij spreekt over zijn droomvisioen in Luz, het latere Betel in Kanaän3, waarin El Shadday tot hem sprak. Zoals bij vele visioen klonk de boodschap dat het volk groot zou worden doordat de Ene hem vruchtbaar zal maken. Ze zouden een menigte aan volken worden. Jakob neemt de stelling dat er koningen zouden voortkomen bij de volken niet over uit de tweede verschijning in Betel omdat dit niet van toepassing zal zijn op Jozef en zijn nageslacht. Het tweede luik van de goddelijke belofte uit het verbond, dat hier herhaald4 wordt, gaat over het land van Kanaän dat de Ene voor altijd zal geven aan zijn nageslacht. Het is belangrijk dat Jozef nog eens herinnerd wordt aan deze gebeurtenis omdat hij zelf nooit een dergelijk visioen heeft gehad, hoewel hij een grote rol vervulde in het voortbestaan van het volk van Israël. Het belang van dit goddelijk verbond, dat de inzet van mensen vergt, mag nooit onderschat worden. Elke nakomeling van Abraham moet weten wat het inhoudt besneden te zijn en moet vertrouwen dat de Ene een schild zal zijn zodat een “goed leven” zonder vrees mogelijk is5. Jakob kreeg een tweede visioen in Peniël waarbij tot het besef kwam dat hij op een andere manier moest leven om het beloofde land binnen te komen. Daar kreeg hij zijn veelzijdige naam, Israël. Het was niet alleen de naam van Jakob op zijn best maar het werd ook de naam van zijn nageslacht en van het land dat hen beloofd was. Alle elementen van het verbond zitten in die ene naam, die daarenboven ook het inzicht en de inzet van de mens weergeeft. Strijden met de Ene want de Ene is er en is een schild.

1 Genesis 15,1; Genesis 22,1; Genesis 39,7; Genesis 40,1.
2 Genesis 45,27-28.
3 Genesis 28,17 en 19; Genesis 35,9-15.
4 Genesis 17,4-10; Genesis 26,2-4; Genesis 35,9-12.
5 Genesis 15,1.

Jakob voelt zijn einde naderen.

Jakob voelde in die rustige en voorspoedige tijd van zeventien jaar dat er stilaan een einde kwam aan zijn leven. Hij was tevreden met wat er geweest was. Genesis 47,29-31: 29 Toen het ogenblik van zijn dood naderde, liet Israël zijn zoon Jozef roepen en zei hem: ‘Als ik een beroep mag doen op je genegenheid, zweer dan met je hand onder mijn heup dat je mij liefde en trouw zult bewijzen en mij niet in Egypte zult begraven. 30 Laat mij rusten bij mijn vaderen. Je moet mij uit Egypte overbrengen en in hun graf begraven.’ Hij antwoordde: ‘Ik zal doen wat u vraagt.’ 31 Hij drong aan: ‘Zweer het mij.’ Hij zwoer het hem en Israël ging achteroverliggen aan het hoofdeinde van het bed. Dankbaar voor de mogelijkheden die er kwamen voor zijn familie blikt Jakob terug op zijn leven en hij zag dat alles goed kwam. Hij heeft zijn deel van het verbond naar behoren vervuld wat het nageslacht betreft. Het is al te zien dat zijn volk op weg is om een groot volk te worden. Het wordt een volk met een eigen aard, die grotendeels bepaald wordt door wat ze meemaakten in het verleden. Hun karakter en hun manier van leven is gekneed door hun rondzwervingen in het leven waar ze steeds als vreemden te gast waren in verschillende streken. In hun leven hebben ze duidelijk de richtingen aangevoeld die El Shadday hun gaf en verduidelijkte in visioenen.

Nu Jakob gewaar wordt dat hij niet meer lang te leven heeft, wil hij nog enkele zaken regelen om dan in alle rust te kunnen heengaan. Nu geeft hij opdracht zijn dienstbare zoon Jozef, die hij vertrouwt, te vragen naar hem toe te komen. Hij richt het woord tot zijn zoon als hoge ambtenaar in Egypte en vraagt zijn genegenheid. Hij vraagt Jozef een plechtige eed te zweren in respect en vertrouwen zoals Abraham vroeg aan zijn belangrijkste dienaar die hij volledig vertrouwde1. Jozef moest zijn hand op de heup leggen van Jakob. Deze formaliteit moest de woorden, die zouden komen, laten overkomen als een heilige opdracht en de aanvaarding ervan. Er zal een belangrijke overeenkomst gesloten worden tussen de zoon Jozef en de aartsvader Jakob. Deze overeenkomst verwijst ook naar de verbondssluiting tussen Jahweh en Abraham en zijn volk dat de besnijdenis totjakob,jozef,farao,eigen aard,rondzwerving,visioen,aanvaarden van heilige opdracht,verbondssluiting,verbinden met de goddelijke belofte teken had.

Jakob weet en voelt dat hij zelf niet meer levend in Kanaän zal terugkomen en is bezorgd dat ze hem in Egyptische grond zouden begraven. Dat wil hij niet omdat hij weet dat zijn volk vroeg of laat naar Kanaän zal terugkeren. Hij wil begraven worden in Makpela2, de begraafplaats die Abraham kocht van de Hethieten, waar zijn vader en grootvader met hun vrouwen begraven zijn. Deze vraag heeft alles te maken met het sterke geloof van Jakob in het verbond met de Ene, dat niet alleen spreekt van een groot volk maar ook van een land voor dat volk. Dat grote volk is in wording en dat land zal ook werkelijkheid worden. Met deze eed verbindt Jakob ook Jozef en zijn nageslacht met de goddelijke belofte van de terugkeer naar Kanaän.

Na de eed van Jozef ging Jakob achteruit liggen aan het hoofdeinde van het bed. We zien dit beeld voor onze ogen van een oude man die tevreden achteroverleunt en niet meer ongerust hoeft te zijn over de toekomst van zijn volk en over de terugkeer naar Kanaän. Hij vreesde dit allicht omdat Jozef zijn familie naar Kanaän gehaald heef en hij hen daar voor altijd zou willen houden. Nu is Jakob gerustgesteld. Sommige beweren dat hij op zijn staf leunt en dat komt omdat de invulling van het Hebreeuwse medeklinkerschrift een andere invulling kan hebben. De medeklinkers “mth” kunnen aangevuld worden tot “mittah” en het is deze logische  interpretatie die in onze tekst staat. Maar het zou ook “matteh” of “mattah” kunnen zijn en dat is staf. Jakob zou dan tevreden kunnen leunen op de top van zijn staf. De staf zou hier dan kunnen staan voor het symbool van de aartsvader, de hoofdherder van het herdersvolk.

 

1 Genesis 24,2.

2 Genesis 23,9.

De leeftijd van Jakob en van zijn zonen.

Onlangs hoorden we nog dat Jakob honderddertig jaar was toen hij farao zegende bij zijn ontmoeting met de vorst van Egypte. Genesis 47,28-31: 28 Jakob leefde nog zeventien jaar in Egypte, zodat hij honderdzevenenveertig jaar oud werd. Toen Jakob Egypte binnen kwam was Jozef ongeveer negenendertig jaar. We weten dit omdat Jozef toen hij onderkoning benoemd werd door farao dertig jaar was1. Dan volgen zeven vette jaren en pas in het tweede jaar van de hongersnood komt de stam van Jakob naar Egypte. Jakob is dan honderddertig jaar oud2. Dit laat ons besluiten dat Jozef als oudste zoon van Rachel geboren is toen Jakob ongeveer eenennegentig was. We kunnen schatten dat Jozef ongeveer geboren is in het vijftiende jaar van het verblijf van Jakob in Paddan-Aram bij zijn oom. Zijn oudste halfbroer Ruben, die Jakob kreeg van Lea, kan geboren zijn op het achtste jaar dat Jakob bij zijn oom Laban verbleef. Ruben is dus zeven jaar ouder dan Jozef. Ruben komt dus Egypte binnen als hij zesenveertig jaar was. De drie volgende broers, zonen van Lea, verschillen telkens een jaar in leeftijd. Benjamin de tweede zoon van Rachel en de jongste zoon van Jakob was bij de oversteek naar Egypte in evenredigheid met deze schatting dan ongeveer zesentwintig jaar. Hij is dus vijf jaar jonger dan Jozef.

Nu zijn we zeventien jaar verder. Vader Jakob is er honderdzevenenveertig en Jozef is zesenvijftig jaar. Jozef heeft als geliefde zoon van Jakob vierendertig jaar dicht bij zijn vader gewoond. De eerste zeventien jaar zorgde zijn vader voor hem en de tweede periode van zeventien jaar zorgde Jozef voor zijn vader. Zohonderdertig jaar,koning egypte,rachel,jakob,jozef,paddan-aram,zeventien jaar,abraham,terugkeren naar beloofde land,berseba,volk israël heeft vader Jakob zich geen materiële zorgen hoeven te maken noch voor zichzelf noch voor heel zijn stam. Hij kan in alle rust toezien maar hij heeft ook de mogelijkheid om als ouderling heel zijn nageslacht de verhalen te vertellen van het jonge volk van Israël. De stichtende verhalen gaan over Abraham die oorlog voerde tegen de reuzen van die tijd, die overwon en de oorlogsbuit teruggaf aan wie beroofd was. Hij kon vertellen over hoe een afstammeling van Abraham in het leven staat. Hij kon aantonen dat wie niet leeft als een besneden van hart bedrogen uitkomt. Zo kon hij op zijn hoge leeftijd zijn volk, dat heel special was en als vreemden in een land woonden dat niet van hun was, vormen. Hij vertelde hen beslist dat ze ooit zullen terugkeren naar dat beloofde land. Dit was de belofte die al generaties ver bevestigd werd aan de aartsvaders en die Jakob nog eens bevestigd kreeg in Berseba net toen hij Kanaän verliet. De Ene verzekerde toen Jakob in een droom dat hij hen naar Egypte zal vergezellen en dat hij hen ook zal terugbrengen naar Kanaän. Deze belofte was geldig voor iedereen en voor heel het nageslacht van zij die Egypte waren binnengetrokken samen met Jakob. Jakob kreeg ook de belofte van een rustige oude dag want zijn geliefde zoon Jozef, die beloofd had voor hem te zorgen, zal zijn ogen sluiten3. De stam is flink aangegroeid en we mogen stilaan spreken van het volk Israël. Jakob heeft de laatste zeventien jaar geen ellende meer gekend waardoor hij het verhaal van het volk en de lessen van het leven kon doorvertellen aan zijn kleinkinderen en achterkleinkinderen en misschien ook, in de meest gunstige veronderstelling, aan zijn bedachterkleinkinderen.

 

1 Genesis 41,46.

2 Genesis 47,9.

3 Genesis 46,4.

 

Israël werd talrijk in Gosen.

In de vorige verzen ging het hoofdzakelijk over de verdeling en de betaling van het voedsel tijdens de hongersnood en over de rol die Jozef daarin speelde. Alleen de priesters kregen toelagen en behielden hun gronden en ontsnapten aan de regelingen van en na de hongersnood. Maar ook de familie van Jozef viel onder zijn wetgeving en ze moesten een vijfde van hun opbrengsten afdragen aan farao. Ook zijn mochten vier vijfden houden. Genesis 47,27: 27 Israël vestigde zich in Egypte, in Gosen. Zij kregen daar vaste bezittingen, waren vruchtbaar en werden zeer talrijk. Op het einde van dit hoofdstuk bekijken we nog eens hoe het na verloop van tijd gaat met de familie van Jozef die naar Egypte gekomen is. Binnen de nieuwe wetten over de bijdragen aan farao voelt de stam van Jakob zich beschermd en maken ze goed gebruik van de landstreek die hen toegezegd is. Ze leven als onderdanen van farao en genieten de volledige burgerrechten zoals alle Egyptenaren. Twee zaken zijn opvallend. Er wordt over Israël gesproken en over Gosen. Deze twee namen zeggen heel veel. Het gaat duidelijk niet meer over de broers van Jozef of over de zonen van Jakob maar over het een steeds groter wordend volk. Die uitbreiding wordt nog eens bevestigd doordat nu weer sprake toelagen voor priesters,israël,gosen,stam van jakob,kudden van farao,fokkers,twee vrouwen,veel vrouwelijke slaven,stamboom met namen van mannenis van Gosen en niet meer alleen van Ramses1, een zuidelijk deeltje van Gosen. De stam van Jakob is uitgezwermd en heeft zich verdeeld over het gebied van Gosen.

Ook de stam van Jakob heeft ongetwijfeld zoals alle andere inwoners, die aan landbouw deden, graan gekregen. Het belangrijkste is voor hen echter dat ze hun eigen kudden terug onder hun hoede kregen na de hongersnood. Wellicht hebben ze al die tijd onder toezicht ook de kudden van farao verzorgd. Dan zou het ook niet uitgesloten zijn dat ze, zoals Jakob in zijn jonge jaren, de beste dieren, waarover ze de zorg hadden, hebben laten paren met hun dieren. Zo maakten ze van de nood een deugd en hadden de bekwame veehoeders nog baat bij hun opvordering door farao.

Verder was er in de streek van Gosen helemaal geen contact met de bevolking van Egypte en kon de stam van Jakob zich vrijwaren van andere invloeden. De huwelijken werden gesloten binnen de stam van de Israëlieten. Er werd ook nauwlettend bijgehouden wie tot welke afstamming behoorde. In de stamboom die een overzicht geeft van wie binnenkwam in Egypte en dus leefde onder de belofte van ooit eens terug te gaan naar Kanaän, werden maar twee vrouwen bij naam genoemd. Dit waren Dina en Serach2. Er waren ongetwijfeld meer vrouwen mee die geen persoonlijke vermelding kregen zoals alle schoondochters en kleindochters van Jakob maar ook alle dienaressen die tot de clan behoorden maar geen rechtstreekse afstammeling van Jakob waren maar misschien wel familie. Voor de vrouwen was er weinig plaats in de stambomen. Ze kregen alleen een vermelding als er iets uitzonderlijk diende vermeld te worden. Maar er waren voldoende mannen en vrouwen om vruchtbaar te zijn en talrijk te worden.

 

1 Genesis 47,11.

2 Genesis 46,15 en 17.