Ook de andere zonen van de bijvrouwen komen aan bod

De slavin van Lea had ook als bijvrouw Jakob nog twee zonen geschonken. Dat waren Gad en Aser. Bilha het dienstmeisje dat Rachel meekreeg van haar vader, gaf Jakob ook nog een tweede zoon. Deze droeg de naam Naftali. Israël spreekt hen in deze volgorde aan. Dit zou kunnen dat dit is volgens hun leeftijd. Genesis 49,19-21: 19 Gad: een troep valt hem aan, maar hij zit hen op de hielen! 20 Aser: rijk is zijn brood; koninklijke spijzen levert hij. 21 Naftali is een uitgelaten hinde, die schone jongen werpt. De naam Gad betekent voorspoed, geluk of welvaart1. Deze naam is afgeleid van het stamwerkwoord “gud” dat binnenvallen en overwinnen betekent en dat in verband staat met “gadad” dat troepen verzamelen of samenkomen betekent. Met een troep en het aanvallen komen de twee mogelijke betekenissen van zijn naam aan bod. Met het op de hielen zitten, “aqeb”, van de vijand wordt verondersteld dat ze de vijand op de vlucht jagen en dat ze zo een grote buit kunnen binnen halen en dit geeft hun dan voorspoed. Dit is de eerste betekenis van de naam Gad. Met samenkomen komen we dan opnieuw uit op het denken aan het stammenverbond. Dit stammenverbond wordt telkens verondersteld door Israël en daardoor denken we dat het scharniermoment van Silo en het leiderschap van Juda belangrijke denklijnen zijn bij het schrijven van dit verhaal. Het kan niet ontkend worden dat ook dit verhaal geschreven is in latere tijden waar de situatie waarin de schrijvers zich bevonden hun verklaring in het mythische verleden kregen. Vandaar ook dat de gebruikte namen zo betekenisvol zijn.

gewapende troepen
De naam Aser betekent de gelukkige of gezegende. Dit komt van het werkwoord “ashar”, gezegend zijn, roepen en het veelzijdige recht zijn. Het geluk van deze stam ligt verscholen in de vruchtbare grond waar de beste granen geteeld worden. Daar maken ze brood van dat een koninklijke kwaliteit heeft en wellicht ook olie3 bevat. Het is niet uitgesloten dat hun lekkere spijzen via de stam van Zebulon, die handel dreven met de zeevarende Feniciërs, bij de koningen van die tijden geleverd werden.
Naftali werd als laatste van de zonen van de slavinnen vernoemd. Zijn naam houdt verband met het strijden, “pathal” in het Hebreeuws dat ook vlechten en worstelen betekent. Rond deze naam bestaan er achter twijfels omdat bij een verandering van de leesklinkers in het Hebreeuwse medeklinkerwoord heel andere betekenissen naar voor komen. Zo behoren hinde, schoonheid4, hoorn en terebint tot de mogelijkheden. Omdat Jakob hier meestal5 vergelijken maakt met dieren als hij over zijn zonen spreekt, lijkt hinde de meest aangewezen vertaling en dit wordt nog eens beklemtoond door het vervolg van wat Israël tegen zijn zoon Naftali zegt. De uitgelaten hinde wijst op de eigen weg die de nakomelingen van Naftali zullen gaan. Door hun behendigheid ontsnappen ze aan de aanvallen van buitenaf en zijn daardoor een voorspoedige en grote stam geworden. Het zijn schone jongen is een mogelijke vertaling van het Hebreeuwse “shepher” en “emer”. Deze twee woorden kunnen echter een heel andere betekenis hebben. Zoals een boom, terebint, met mooie vertakkingen. Daardoor denken sommigen aan het gewei van een hert dat de rijke afstamming van Naftali verbeelden.


1 Genesis 30,11.
2 Van het werkwoord “aqab”: bij de hiel nemen, zoals Jakob deed bij de geboorte van Esau.
3 Deuteronomium 33,24.
4 Psalm 16,6.
5 De leeuw voor Juda, de ezel voor Issakar en de adderslang voor Dan.

Advertenties

Dan aangesproken als eerste zoon van een van de slavinnen.

Jakob groepeert alle zonen die hij verwekt had bij de slavinnen van zijn vrouwen. De volgorde is niet dezelfde als voorgesteld bij het verhaal over de geboorten van zijn zonen1. Hier spreekt Israël zijn zonen wellicht aan in de echte volgorde van hun geboorte, waar ze in de vroegere tekst per slavin, de persoonlijke dienaressen van Lea en Rachel, werden genoemd. Genesis 49,16-21: 16 Dan is rechter over zijn volk, als een van Israëls stammen. 17 Een adder op het pad; hij bijt het paard in de hiel en de wagenmenner slaat achterover. 18 Op uw redding hoop ik, heer! Israël spreekt Dan, de oudste zoon van Bilha, de slavin van Rachel, als eerste aan. Deze stam zal zich wellicht als een van de eerste gevestigd hebben in Kanaän of was het voorbeeld van de ordening en de regelingen binnen hun samenleving. Sommige denken dat het omwille van Simson2 is dat deze stam eerst in de kijker gezet wordt. De betekenis van de naam van Dan is rechter of hij die gerechtigheid verschaft. Hij moet zorgen dat zijn volk een rechte koers vaart klinkt er twee keer mee in het Hebreeuws omdat zowel het werkwoord als de naam Dan afgeleid zijn van “Din”. Israël bevestigt

Rechtspreken

dus de naam van zijn zoon want hij noemt Dan een rechter over zijn volk, een van de volken van Israël. Dit leert ons dat het nageslacht van de zonen van Israël zelfstandig zijn in hun eigen stam. Dit verschaft ons meer duidelijk over het begrip “Silo” dat een keerpunt betekent in de verhoudingen van de stammen. Vanaf de verdeling in Silo groeit stilaan de idee om het stammenverbond van de stammen van Israël in vrede te verenigen.
Het vervolg van wat Israël zegt aan Dan, klinkt dan weer als beeldspraak. Opnieuw staat de natuur model voor de omschrijving van het nageslacht. De stam Dan gedraagt zich als een adder op het pad dat een paard in de hiel bijt. De wagenmenner valt door het steigeren van het paard achterover. Welk dier er met “nachash”, slang en de “shephiphon” vertaald als adder bedoeld wordt is ons niet erg duidelijk. Men vermoedt dat het de zandkleurige hoornadder is, een giftige slang die zich in het zand verschuilt en pijlsnel haar prooi een dodelijke beet geeft. De stam wordt dus vergeleken met een klein serpent dat in hinderlaag verscholen ligt op de baan. De stam Dan is volgens dit beeld een kleine maar weerbare stam die zich niet laat vertrappelen door de vijanden die beschikken over paarden en wagens. Dit doet ons denken aan de strijdwagens van de Hyksos die Palestina veroverd hebben en Egypte binnenvielen. In het gebied van het kleine volk van Dan verdedigden ze zich tegen die indringers.
Opeens horen we Israël de redding, “yeshuah” in het Hebreeuws, afsmeken van de Ene. De aartsvader voorziet dat sommige kleinere stammen, die een hoge mate van onafhankelijkheid hebben waaronder het nageslacht van Dan, het moeilijk zullen hebben om zich staande te houden tegen de vijanden in Kanaän. Hij smeekt daarom de redding af van de Ene. Het is de enige keer in dit hoofdstuk dat de naam Jahweh voorkomt. Deze oproep zou gekoppeld kunnen worden aan Silo. De aartsvader drukt hiermee uit dat hij hoopt er een toestand van vrede en welstand kan ontstaan waarbij alle verenigde stammen van Israël gebaat zijn.


1 Genesis 30,3-13.
2 Rechters 13,2 en 15,20.

Zebulon en Issakar krijgen ook hun plaats in het toekomstige Israël.

Israël loopt het lijstje verder af van al zijn zonen en droomt veder over hun toekomst. Hij schets de toekomst van hun nageslacht aan de hand van de karaktertrekken van zijn zonen die de voorvaders zijn van de stammen van Israël. Genesis 49,13-15: 13 Zebulon woont aan de zeekant, hij woont aan het strand bij de schepen, zijn flank leunt tegen Sidon. 14 Issakar is een bonkige ezel, die tussen zijn lasten ligt. 15 Hij ziet hoe heerlijk de rust is en hoe lieftallig het land; hij buigt zijn schouders om lasten te dragen en wordt een slaaf die werkt onder dwang. Over Zebulon en Issakar hebben we niet erg veel gelezen in de vorige hoofdstukken. We weten dat Zebulon de zesde zoon is van Jakob bij Lea en Issakar de vijfde. Het is eigenaardig dat Jakob zijn zesde zoon bij Lea voor zijn vijfde zoon aanspreekt. Daarbij weten we dat Zebulon op het moment van zijn geboorte ook nog vier halfbroers heeft die ouder zijn dan hij. Dat zijn Dan en Naftali die Jakob had bij Bilha, de slavin van Rachel, en Gad en Aser van de slavin van Lea die Zilpa noemde. Buiten de naam, die hij van zijn moeder kreeg bij zijn geboorte, worden alleen maar stamboomgegevens prijsgegeven van Zebulon. Hij wordt geschetst als zoon van Lea en als vader van Sered, Elon en Jachleel1. Omdat de namen in die oude mythische verhalen meestal betekenis hebben kijken we naar de betekenis van Zebulon. Dit betekent woonplaats of verblijf. Dit is ook de enige omschrijving die Jakob ons geeft voor de toekomst van deze stam. De toekomstige stam Zebulon zal aan de zeekant wonen. Het woord “yammim” is eigenlijk het

Aan de zee

meervoud van zee. Dit meervoud kan staan voor de grote zee, de Middellandse Zee maar zou ook kunnen verwijzen dat ze aan het meer van Genezareth2 wonen en dicht bij de Middellandse zee contact houden met Sidon. In het Hebreeuwse rijm wordt die omschrijving nog eens herhaald. Hij woont aan het strand waar je de schepen ziet en hij woont dicht bij Sidon. Deze omschrijving geeft aan dat de stam van Zebulon hoogst waarschijnlijk handel dreef met de Fenicische steden. De Feniciërs waren een zeemogendheid die de Middellandse zee beheerste en die zich had toegespitst op het transport van goederen over zee. De stam van Zebulon zal daardoor veel belangrijker3 zijn dan deze van Issakar en wordt daarom als eerste van de twee laatste zonen van Lea genoemd.
Over zijn vijfde zoon bij Lea, die voor Zebulon geboren wordt, geeft Jakob ons iets meer te vertellen. Issakar betekent dat de Ene beloont. Uit wat Israël vertelt kunnen we uitmaken dat Issakar een robuuste en sterke kerel is die heel wat werk kan verzetten. Hij wordt vergeleken met een ezel en dat is het lastdier bij uitstrek voor de stam van Jakob. In de toekomst zal zijn werk zeer lonend zijn en zal hij in alle rust en vrede rijke vruchten dragen van zijn arbeid omdat het land in Kanaän zo vruchtbaar is. Toch lijkt het erop dat de nakomelingen van Issakar hard en onder druk zullen werken als slaven. Als we de betekenis van de namen van de zonen Issakar nog eens erbij nemen, kunnen we vermoeden dat deze stam harde tijden heeft gekend in Egypte. De naam Sered wijst op vrees en angst. Zij worden op de een of andere manier bedreigd. Elon doet denken aan eik en dit heeft wellicht te maken met hun stevige lichaamsbouw. Jachleel betekent wachtend of hopend op God wellicht om hen uit de verdrukking te halen. Misschien is het rusten tussen de twee lasten bedoeld om de last van Egypte en deze van het werk in Kanaän aan te tonen. Vandaar dat ze als zeer verzwakte en uitgeputte stam zullen terugkeren naar Kanaän en niet erg invloedrijk zullen zijn in het overleg tussen de stammen van de zonen van Israël. Toch worden ze met rust en vrede beloond voor hun arbeid eens ze in het beloofde land teruggekomen zijn.

1 Genesis 35,23 en 46,14.
2 soms de zee van Tiberias genoemd.
3 Deuteronomium 33,19.

Beelden van een vredig bestaan in shalom.

De idee dat “Silo”, de leidraad, vrede en voorspoed brengt voor het volk van Israël en voor het leiderschap van Juda wordt verder op een poëtische manier uitgewerkt door Israël in zijn toekomstvisie voor zijn nageslacht. Genesis 49,11-12: 11 Aan de wijnstok bindt hij zijn ezelin, aan de wingerd zijn edele volbloed; hij wast zijn gewaad in de wijn, zijn mantel in het bloed van de druiven. 12 Zijn ogen zijn donkerder dan wijn, zijn tanden witter dan melk. Israël vooronderstelt een grote welvaart voor het volk onder leiding van Juda. In gedachtenrijmen met zelfs schokkende beelden tekent hij de overdadige overvloed dat het volk van Israël te wachten staat. Hij laat de mensen, die op verplaatsing zijn, hun ezels vastmaken aan de wijnstokken. Dit is een ongehoord gebrek aan respect voor de druivelaar, de edele drager van druiven. Israël wil niemand choqueren maar gebruikt dit beeld om te tonen dat de wijnstokken heel sterk zijn en dat er zoveel zijn dat ze gebruikt worden waarvoor ze zeker niet bedoeld zijn. Het kan dan ook niet anders dan dat de bodem in het beloofde land zeer geschikt is voor de druiventeelt. Dit is te zien aan de vele en stevige wijnstokken. Dit beeld van het land waar vrede heerst en waar er overvloed is aan vruchten van de natuur staat in tegenstelling tot hun situatie in Gosen waar er met moeite wijngaarden te vinden zijn en waar de ranken klein zijn en beschermd moeten worden tegen de dieren. In het beloofde land mogen de ezels zich zelfs tegoed doen aan de

Wijnranken

druiventrossen. Er is voldoende. Het beeld wordt nog eens herhaal in het Hebreeuwse rijm. Aan de “soreq”1, de druivelaars die uitgelezen rode wijn leveren van hun druiven, maakt hij zijn ezeljong vast. Niet alleen de kwaliteit maar ook de omvang van de wijnteelt in Kanaän prijst de aartsvader.
Israël gaat nog verder in zijn beeldspraak om aan te tonen dat er wijn in overvloed is in die streek. Hij laat in zijn overdrijvingen uitschemeren dat er meer wijn is dan water. Met een Hebreeuws rijm verbeeldt hij dat de gewaden in de wijn gewassen worden. De wijn noemt hij de tweede keer het bloed van de druiven2 en het gewaad wordt nu de mantel. Het gaat dus onmiskenbaar over rode wijn die vergeleken wordt met bloed. Het woordgebruik van gewaden, mantel en het veulen van een ezelin3 als vervoersmiddel wijst op de koninklijke status van het geslacht Juda.
De overdaad aan wijn maakt de ogen “chaklili” en dat kan rood betekenen maar ook blinkend. De tanden zijn wit door de melk. Als we hier het rijm van de gedachte doortrekken mogen we denken aan overmatig wijngebruik. De kleur van de wijn gaat naar de ogen4 en ze worden rood en deze van de melk naar de tanden, die wit worden. Hiermee wordt nog eens de nadruk gelegd op de rijke gaven van de natuur. Er zijn wijngaarden en er is veel grasland voor het vee. Het volk zal niets tekort komen en iedereen zal in vrede en rust, in shalom, kunnen leven in het beloofde land waar ze door de Ene naartoe zullen begeleid worden. Deze vergelijkingen laten ons ook toe te zien dat er nog inspanningen nodig zijn om zo van de natuur te kunnen genieten. De druif moet geoogst en geperst worden en de het vee moet naar de weiden geleid worden en moet gemolken worden. Het werk zal echter lichter wegen dan hier in Gosen.


1 De streek van Soreq ligt in Judea op de westelijke hellingen van de heuvels en is een ideale ligging voor de druiventeelt. De wijn uit deze streek noemt dan ook Soreq-wijn en deze is nog steeds hoog aangeschreven. In de steek zijn ook de beschermde Soreq-grotten.
2 Deuteronomium 32,14.
3 Zacharia 9,9.
4 Spreuken 23,29-35.

Totdat zal komen: ‘Sjilov’.

Israël voorziet dat het leiderschap van Juda zal blijven duren. Maar toch wordt er nu een eindpunt aangehaald door Israël. Na Juda komt een leider onder wiens leiding ook Juda zal vallen. Bij deze tekst worden heel wat veronderstellingen naar voor geschoven. Veel daarvan verraden de achtergrond van de beoordelaren en worden ingeschreven in de bewijsvoeringen waarmee ze hun ideeën willen benadrukken. Zo worden bijvoorbeeld breedvoerige studies geschreven over de Messias die de Christus is. In deze voorspoedige tijd met grootste vooruitzichten voor het volk van Israël is er echter geen nood aan een Messias, een redder, en leeft die gedachte ook helemaal niet. Jozef was de redder geweest die voedsel bezorgde maar die ook enkele gedragspatronen voorhield door hen te laten beseffen dat broederlijkheid levengevend is. Nu is het aartsvader Israël die zijn volk herinnert aan de lessen van het verleden door de slechte daden van zijn zonen af te keuren en de goede te belonen. Als we niet ingaan op de messiasgedachte bestaan er nog heel wat andere visies over dat stukje tekst. Dit weerspiegelt zich in de verschillende vertalingen. De visie1 die een afwijking in de Hebreeuwse tekst veronderstelt, laten we eveneens buiten beschouwen.
Silo kan de naam van de plaats zijn waar de stammen samenkwamen nadat ze Kanaän binnengetrokken waren. Ze offerden er in de tent voor de Ene2 en na de verkenning van het beloofde land werd het grondgebied over de stammen van Israël verdeeld.

Tent van het verbond

Dit zou een mooie gedachte zijn om dit als vredig eindpunt van het gezag van de stam van Juda te schetsen. Maar dit kan niet omdat Juda nog de macht niet heeft van een grondgebied in Kanaän op dat ogenblik. Silo blijft lange tijd een heiligdom van Israël en bevindt zich in het gebied van Efraïm. Silo verliest echter stilaan zijn status als er zicht komt op de tempel van Jeruzalem3. Mogelijks zit hier een machtsstrijd achter tussen de stam van Efraïm en deze van Juda en hun achterban, die bestaat uit de andere stammen van Israël. Dit zal wellicht de reden zijn van de latere opsplitsing van het koninkrijk van Israël in twee delen. Maar ook dan nog blijft er in Juda een koning, zij het van een kleiner rijk.
Silo kan blijkbaar ook een persoon, “Shiloh” in het Hebreeuws want hij zal verschijnen. Wie dat kan zijn is niet erg duidelijk. Misschien wijzen de andere verklaringen ons de weg. Het feit dat Shiloh met een hoofdletter geschreven staat is toe te schrijven aan de vertalers want het Hebreeuws kent geen hoofdletters.
Anderzijds kan “Shiloh” ook een begrip zijn, een toestand, die kan bereikt worden. Afgeleid van het werkwoord “shalah” dat betekent wees gelukkig, voorspoedig, en wees in veiligheid, zien we een vredevolle sfeer, die in het vooruitzicht gesteld wordt door Israël. Dat is wat toegewenst wordt met de wens van “shalom”. Deze wens of toestand hebben we al vaker4 gelezen in de voorbij teksten. Deze wens wordt ook in verband gebracht met de Ene als Jozef de verklaringen van de dromen van farao aan de Ene dankt, die wenst wat goed is voor farao5.
Het woord “yiqhah” is letterlijk de gehoorzaamheid van de “amim”, van de volken. Tot alle volken zich goed voelen in de “shalom”. Tot heel de wereld in vrede leeft en zich onderwerpt aan de levenswijze van de besnedenen van hart die hun schreden richten naar de Ene. Is het altaar in de tent van Silo de plaats waar alles samenkomt? Alle stammen van Israël gaan naar de tent van samenkomst2 waar de Ene zich kenbaar maakt6 en daardoor shalom brengt. De Ene is vrede7. Plaats, persoon en begrip komen samen als brengers van heil.

1 Joodse commentator Marcus Kalisch (1828-1885).
2 Jozua 18,1.
3 1 Samuel 2,12-16; Psalm 78,60 en 67-68.
Genesis 15,15; Genesis 26,29 en 31; Genesis 34,14.
Genesis 41,16.
6 1 Samuël 3,21.
7 Rechters 6,24.